Vogel van het jaar


Jaarlijks wordt een vogelsoort uitverkoren tot ’Vogel van het Jaar’. Dat wordt bepaald door Vogelbescherming Nederland en SOVON Vogelonderzoek Nederland. Er zijn al heel wat soorten geweest die ’de eer’ te beurt vielen. In 2013 was dat de Patrijs, in 2014 de Spreeuw, in 2015 was er geen Vogel van het Jaar, maar werd wel de Grutto gekozen tot onze nationale vogel. In 2016 werd de draad weer opgepikt en was de Kievit aan de beurt, een jaar later gevolgd door de Koekoek en in 2018 de Huiszwaluw.

Dit jaar mag de Wulp zich verheugen op extra belangstelling en dus is 2019 ’Het jaar van de Wulp’. Als je het rijtje langs gaat valt op dat het veelal soorten zijn die (sterk) in aantal zijn achteruitgegaan. Dat geldt zeker ook voor de Huiszwaluw waarvan er weliswaar nog wel tegen de 100.000 broedparen in Nederland voorkomen. Maar deze van oorsprong berg- en klifbewoner kende andere tijden, tijden dat er bijna een half miljoen paartjes in Nederland tot broeden kwamen. Dat het met onze akker- en weidevogels beroerd gaat is ook wel bekend. Van de eens ’normale’ Patrijs komen er nog maar een kleine 5000 paartjes voor. Ik geloof dat ik in 2013 slechts één keer een paartje bij Beilen zag en van de jaren daarna kan ik me niet eens een waarneming herinneren. En dat terwijl ik in die periode ook nog eens op vakantie in Zeeland was waar veel aan akkerrandbeheer werd gedaan. Maar ga zelf maar eens na wanneer u nog wel eens Patrijzen hebt gezien. Het is toch een vogel die in het verleden ook in onze contreien voorkwam en er werd zelfs nog op gejaagd. Er zijn allerlei plannen om betere voorwaarden te creëren voor tal van vogels, er wordt zelfs gerept van een deltaplan, maar ik zie dat niet zo gauw van de grond komen. Gesproken wordt over het omvormen van de bekende, intensief beheerde raaigraslanden naar kruidenrijke, extensief beheerde  weilanden. Maar wie gaat dat betalen is dan de vraag, want de boer kijkt vooral naar zijn (en/of haar) inkomen.

Ook voor de Wulp wordt van alles uit de kast gehaald om de cijfers wat op te krikken. Onze grootste steltloper kwam vroeger veel meer voor dan nu, want met 4300 paartjes houdt het wel op. In het binnenland zie je hem nog maar nauwelijks en zelf hoor ik het prachtige gejodel in het voorjaar nog maar zelden. Het is een geluid dat ik als één van de meest ultieme voorjaarsgeluiden ervaar. Dat ze steeds minder in het binnenland zijn te horen kent tal van oorzaken, waaronder predatie, onder andere door de Vos. Maar het is wel heel erg gemakkelijk om met een beschuldigende vinger daar naar te wijzen, want zoals gezegd zijn er veel meer oorzaken. Het is nu trouwens de tijd dat ze tamelijk massaal in Nederland aanwezig zijn. De Nederlandse broedvogels zijn iets zuidwestwaarts gevlogen, maar uit noordelijke streken, tot ver in Rusland broedende vogels, overwinteren in onze kustgebieden, zeker tijdens zachte winters. Dan heb je het over wel 200.000 pleisterende vogels. Zelf zie ik ze veel op meerdere plekken als ik naar het Lauwersmeer ga en daar een rondje rijdt. Een ander gebied waar je ze kunt spotten is het Fochteloërveen, want dat is de plek waar Trienke Tijseling uit Zevenhuizen afgelopen zaterdag een groepje van zo’n twintig exemplaren badderend in een slootje zag en fotografeerde.

Onze zuidwest trekkende Wulpen worden zodra ze in Frankrijk aankomen helaas nog altijd bejaagd. Het is natuurlijk te gek voor woorden dat dit gebeurt en in Europees verband zou hier tegen moeten worden opgetreden, want wij doen ons best om ze te behouden, maar het schietgrage Franse ’jagersgilde’ knalt ze met veel liefde uit de lucht. Dat geldt trouwens ook nog steeds voor de Grutto en de steeds zeldzamer wordende Zomertortel. Overigens bezondigen zich ook tal van Nederlanders aan verstoring van vogels, waaronder Wulpen. Kijk maar eens op de Waddeneilanden waar hondenbezitters hun viervoeters los mogen laten lopen en niet aanlijnen wanneer dat nodig is. Ik zie maar al te vaak dat honden op groepen vogels afstuiven en ze zo verjagen. Wulpen zijn daar zeer gevoelig voor en het kost steeds weer veel verspilde energie dat niet nodig zou moeten zijn.