Alweer een nieuwe

Aanstaande zaterdag wordt op de landelijke SOVON-dag in Apeldoorn de nieuwe Vogelatlas gepresenteerd. Daar is door menigeen naar uitgekeken, want hoe is het gesteld met de Nederlandse broedvogels en wintergasten. De vorige broedvogelatlas verscheen in 2002 en dat is dus nog niet zo lang geleden. Toch zal ook nu weer blijken dat ten opzichte van die atlas er grote veranderingen plaatsvonden en u kunt op uw klompen aanvoelen dat vooral negatieve veranderingen overheersen.

Naast de negatieve ontwikkelingen zijn er uiteraard ook positieve zaken te melden. Uit de atlas zal blijken dat Nederland weer een x-aantal broedvogels rijker is geworden. Die zullen op eigen kracht Nederland hebben ontdekt als geschikt broedgebied, maar anderzijds kan dat ook een gevolg zijn van de klimaatverandering en dat is beslist een negatief aspect. Het is immers ontegenzeggelijk dat het hier langzaamaan warmer wordt en dat biedt zuidelijke soorten perspectief zich hier te vestigen. De Cetti’s zanger is zo’n soort die al in de vorige atlas werd gemeld, maar toen ging het nog maar om enkele broedgevallen. Sindsdien is het aantal broedparen flink toegenomen, tot wel 1250 vermoed ik, hetgeen vooral ook werd toegeschreven aan de zachte winters waarmee we te maken hadden. Zelf mocht ik hem vorig jaar al in de Zuidermaden verwelkomen. Hij zong er toen wel mooi zijn liedje, maar tot een broedgeval leidde het niet. Met de Ortolaan die ik daar bij toeval een keer spotte gaat het ronduit slecht en dat geldt voor veel meer soorten die niet meer of nog maar nauwelijks in Nederland tot broeden komen, bijvoorbeeld de Grauwe gors en wie ziet nog wel eens Kuifleeuwerik.

Ronduit tragisch is het de Korhoen vergaan. Jagers spreken overigens over hét Korhoen, maar ik ben geen jager. Deze vogel ken ik nog heel goed uit de tijd dat ik in Frederiksoord studeerde, alweer meer dan vijftig jaar geleden. In de weekeinden zag ik ze op meerdere plekken tijdens mijn (vogel)struintochten op het Doldersummer Veld, de Dwingeloosche Heide en het Holtingerveld (boven Havelte). In 1948 werd het aantal Korhoenders in Nederland nog geschat op ca. 1500 en dat aantal steeg door beter terreinbeheer tot wel 3000, maar vanaf 1960 was er al sprake van een kentering. Het leefmilieu van deze vogel ging hollend achteruit waardoor het voortplantingssucces afnam. Veel hennen legden nog wel eieren, maar als de jongen in de eerste weken van hun bestaan, als ze eiwitten nodig hebben, geen insecten en larven weten te bemachtigen sterven ze. Dat geldt nu ook voor de weidevogels in Nederland. Eigenlijk zou de Korhoen een icoon voor de heide- en hoogveenterreinen moeten zijn, zoals dat wordt gehoopt in weidegebieden voor onze nationale trots de Grutto. Helaas is de realiteit een andere. Het schijnt dat op de Sallandse Heuvelrug nog een paar Korhoenders rondscharrelen, maar goedbeschouwd mag je de soort in Nederland als uitgestorven beschouwen. En hoe is het met de Grutto gesteld? In de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw was er nog sprake van 120.000 broedparen. Nu zijn daar waarschijnlijk nog maar 30.000 van over!

Afgelopen zondag maakte ik een wandelingetje in De Kleibosch en de erachter liggende Zuidermaden. Daar zie ik altijd wel een paar Grote zilverreigers (foto). Daarover meldde ik laatst dat beheerder Rene Oosterhuis van Het Gronings Landschap begin oktober 269 exemplaren telde die in de Lettelberter Petten overnachtten. De meeste, wist hij te melden, komen uit Groningen. Die Grote zilverreiger is weer zo’n succesnummer. In 1978 kwam het eerste paar hier tot broeden in Zuidelijk Flevoland en bracht met succes vier jongen groot. Daarna was slechts sprake van incidentele broedgevallen en pas in deze eeuw ging het crescendo met deze ’Witte reiger’ zoals hij ook wel wordt genoemd. Nu gaat het richting 500 broedparen en het aantal hier verblijvende vogels in het najaar bedraagt wel het tienvoudige ervan. In de Lettelberter Petten was al een keer sprake van een (mislukte) broedpoging en het kan vast niet meer lang duren dat ze ook in De Onlanden gaan broeden. Zo ver is het met de Kleine zilverreiger nog niet (pakweg 50 broedparen), maar ook die komt er onherroepelijk aan.