’Eén zo’n ding in de soep en je bent van je echtgenoot af’

De Krant op paddenstoelenexcursie met IVN-voorzitter Cees Koelewijn

RODEN – Een druilerige woensdagochtend 9 uur op de parkeerplaats tegenover de voetbalvelden van VV Roden. Reden van het bezoek: een paddenstoelenexcursie in het Mensingebos met niemand minder dan IVN-voorzitter Cees Koelewijn. Een reportage die we vorig jaar ook al van plan waren te maken, maar wegens een gebrek aan paddenstoelen wat lastig werd. Hoe anders is dat nu. Het stikt van de paddenstoelen dankzij de natte zomer en herfst. Van paddenstoelen die je prima door de pasta kunt roeren tot  exemplaren die ervoor zorgen dat je een pijnlijke langzame dood sterft wanneer je ze naar binnen werkt.

“Kijk”, roept Cees Koelewijn terwijl hij op z’n knieën tussen de bladeren woelt. “Een witte kluifzwam. Dat zie je aan zijn verfrommelde hoed, een beetje een hersenstructuur heeft het. Eetbaar overigens.” Regelmatig is de IVN-voorzitter in het Mensingebos te vinden.  Vanaf juli al, wanneer de eerste soorten uit de grond verreizen. De echte bulk is te spotten in het najaar, wanneer de herfst intreedt. Gewapend met een loep, gps-apparaatje, een notitieboekje en een potlood inventariseert hij paddenstoelen per vierkante kilometer. Noteert de coördinaten waar de specifieke exemplaren staan. Zo’n 5.200 verschillende soorten zijn er in Nederland te onderscheiden en in Noordenveld ruim 1.300, weet Koelewijn die ook coördinator is van de Paddenstoelenwerkgroep. Wil je een paddenstoel goed bestuderen, volsta je niet met wat koekeloerwerk komen we al vrij snel achter. Cees schuift ons een simpel klein ding onder de neus. “En? Wat ruik je?” Nou eh… “Sperma hè?” Het is waar. Een sterke spermalucht dringt binnen. “De gevlekte vezelkop heet ie. Om paddenstoelen te herkennen moet je ze ruiken, proeven (en uitspuwen) en betasten. Ruik deze maar eens. Een Narcisridderzwam. Als ik hier aan ruik, krijg ik onmiddellijk hoofdpijn. Het stinkt naar het stadsgas van vroeger.” De okergele paddenstoel met een scheve hoed geeft inderdaad een vreselijk vieze, indringende geur af. Niet eetbaar, voegt hij geheel overbodig toe. Dat laat je zeker wel uit je hoofd bij het waarnemen van de stank.

Een paddenstoel is niets anders dan een vruchtlichaam van schimmels die in de grond, hout, mest of ander substraat zit, leert Cees ons. Ze gedijen goed in een vochtige omgeving. Eén van de meest voorkomende in Nederland is de Gewone zwavelkop. Een supernuttig zwammetje blijkt. Hij ruimt namelijk hout op. “De Gewone zwavelkop nestelt zich in dood hout en breekt het af. Hij kan er jaren over doen voor het helemaal is opgesoupeerd”, legt de IVN-voorzitter uit terwijl zijn ogen voortdurend op de bosgrond zijn gericht. “Hier! Een Groene knolamaniet. Eén zo´n ding in de soep en je bent van je echtgenoot af. Je wordt ziek, denkt dat je beter wordt, maar de aftakeling wordt steeds erger. Uiteindelijk crepeer je op een vreselijke manier”, vertelt hij over deze moordpaddenstoel. Dat bewijst maar weer eens hoe voorzichtig je moet zijn mocht je van plan zijn een lekkere paddenstoelensoep te bereiden op een herfstige zondagmiddag. “In Frankrijk kun je met je paddenstoelen naar de apotheek die ze keurt. Zoiets heb je hier niet.”

Mensen die denken dat paddenstoelen heel gezond zijn helpen we bij deze meteen even uit de droom. Niets is minder waar, leren we tijdens deze excursie. “Paddenstoelen eet je om de lekker, niet om de voedingswaarde. Natuurlijk, er zitten wat eiwitten en mineralen in, maar dan houdt het al snel op.” Bij iedere paddenstoel die we tegenkomen ratelt Cees ook onmiddellijk de Latijnse naam op. “Latijnse namen zijn handig, want zo kun je elkaar internationaal verstaan. Weet je dat je het over dezelfde hebt.” En we hebben nogal wat namen voorbij horen komen: de Slijmerige blekerik, Groene glibberzwam, Hangende zwameter, Oorlepelzwam, Plooivoetstuifzwam en de Dennenmoorder, eentje die -als ie de kans krijgt- naaldbomen uitroeit. “Zie je die sleuven hier in het dennenbos? Al heel oud zijn ze. Vroeger speciaal aangelegd voor de afwatering en om de Dennenmoorder weg te houden bij de bomen.” We wandelen verder het bos in, over een breed zandpad. Ineens stuiten we op een opvallend exemplaar. Eén die lijkt op, jawel, een piemel. “Haha! De Phallus impudicus. Weet je wat impudicus betekent? Schaamteloos. De Grote stinkzwam in de volksmond. Die lijkt inderdaad op een penis.” Cees gniffelt. Ineens moest hij denken aan die vrouw die tegen hem zei: ‘Cees, het lijkt wel of er allemaal lullen in het bos staan’. “Deze paddenstoel komt uit een bolletje, een soort Elien-ei lijkt het. Hier ligt er zo één.” Met een scherp zakmes snijdt hij het ei door. De steel van de zwam ligt verticaal in het ei omringd door een slijmerige substantie. “Daar komt ie dus uit!”

Behalve dat er honderden verschillende soorten zijn, hebben ze ook nog eens verschillende onderkanten. De onderkant met plaatjes is misschien de bekendste, maar je hebt ze ook met poriën, stekeltjes  of een doolhofstructuur. De één verandert in een blauwe kleur wanneer je met je nagel langs de plaatjes schuurt, de Donzige melkzwam laat druppeltjes witte vloeistof los. Sommige exemplaren zijn echt lelijk maar wel lekker, andere soorten beschikken over briljante schoonheid, maar zijn levensgevaarlijk constateren we. Plotseling versnelt Cees zijn pas. Duikt neer op het groene mostapijt in het sparrenbos. “Het is waar! De zeldzame Kampfergordijnzwam”, roept hij euforisch. Deze koddige grijsblauwe zwam was in 2000 nog uitgestorven, vertelt Cees die een camera uit zijn tas plukt. De Kampfergordijnzwam moet worden vastgelegd. Al is het maar voor zijn Paddenstoelenboek dat volgend jaar juni uitkomt. 650 soorten beschrijft hij in het boek. “Zodra het uit is, laat ik je het weten.” Een ding is zeker: leerzaam was het. En boeiend ook. Wie ook nieuwgierig is naar de paddenstoelen moet maar eens mee gaan op één van de excursies die IVN Roden organiseert. Meer informatie hierover is te vinden op www.ivn-roden.nl.