‘Het was niet echt een personality, maar op het podium was het een performer’

Coen de Jonge over zijn ontmoeting met Charles Aznavour

PEIZE – Vorige week overleed Charles Aznavour op 94-jarige leeftijd in het Zuid-Franse Mouriès. In de media werd hier uitgebreid bij stilgestaan en onder andere bij ‘De Wereld Draait Door’ was het overlijden van Aznavour het gesprek van de dag. Toch is het niet alleen Matthijs van Nieuwkerk die verhalen over de legendarische zanger in petto heeft. Coen de Jonge, jazzliefhebber uit Peize, kwam Aznavour eind jaren vijftig tegen. Vandaag de dag staat die ontmoeting hem nog helder voor de geest, al was dat niet per se vanwege Aznavour zelf.
Het is ergens aan het eind van de jaren vijftig. Coen de Jonge, dan een jaar of zeventien oud, bevindt zich in het Franse plaatsje Cassis, nabij Marseille. Samen met een goede vriend trok hij al liftend door Europa. ‘Toen kon dat nog, vandaag de dag zal je niet ver meer komen denk ik’, zegt Coen. Via Duitsland kwamen de twee uiteindelijk in het Franse Cassis terecht. ‘Waarom daar? Vroeger had je boeken in de “Zwarte Beertjes-reeks”. Een aantal van die boeken werden door Havank geschreven en speelden zich veelal af in Zuid-Frankrijk. Het plaatsje Cassis kwam hierin voorbij. Vandaar dat wij bedachten om daar naartoe te gaan.’
Zo gezegd, zo gedaan. De twee vrienden zetelden in een tent op een rots boven het dorp. ‘Een lekkende tent’, weet Coen zich te herinneren. Overdag zaten de twee op het strand, achter een soort casino dat met de rug naar de zee toestond. ‘Een weinig aantrekkelijke muur, maar daar waren leuke meisjes’, lacht Coen. ‘Op een middag kwam uit een soort branddeur een kleine man, die even een sigaretje wilde roken. Waar wij jongens vandaan kwamen, vroeg hij in wat krukkig Engels. En of wij ook wat wilden roken. Ach, dachten wij, waarom niet. Iedereen rookte immers in die tijd. Al gauw knoopten we een leuk gesprekje aan en tot slot stelde hij voor dat wij ’s avonds naar zijn muziek mochten komen luisteren.’ De vriendelijke jongeman trad die avond op in het casino en was, op het moment dat hij Coen en zijn vriend trof, bezig met repeteren. Coen, toen al een groot liefhebber van jazz, bedankte beleefd. ‘We hadden al een afspraak met die leuke meisjes.’
Pas later op die avond kwamen de twee vrienden erachter met wie zij gesproken hadden. ‘We kwamen terecht in een bar waar een serveerster vertelde dat ze van Russische adel was. Mijn vriend en ik geloofden dat wel en er ontstond wederom een leuk gesprek. De serveerster vroeg op een gegeven moment of wij ook naar het concert in het casino waren geweest. Toen wij aangaven dat dit niet het geval was, vroeg de serveerster of wij wil wisten wie hij was. Ze had het over die jongen die wij dezelfde middag nog spraken en met wie wij een sigaretje rookten. “Dat is Charles Aznavour. Hij wordt één van de grootste zangers van Frankrijk.” Wij haalden onze schouders op. Toen wij hem die middag ontmoetten, had hij niet zoveel indruk gemaakt. Een tengere en kleine Fransman. Het zal wel, dachten wij.’ Het is eigenlijk een wonder dat Coen zich deze ontmoeting nog herinnert. ‘Dat komt vooral omdat wij een pot chocoladepasta van de serveerster kregen. Ze had een hekel aan de kok en gaf ons dus stiekem die pot mee. Juist hierdoor is het verhaal mij altijd bijgebleven.’
Een bijzondere ontmoeting dus, met wat achteraf een wereldster bleek te worden. ‘Het was niet zo dat hij echt een personality was. Althans, niet als je hem zo tegenkwam. Op het podium was het écht een entertainer. Een heel ander verhaal dus.’
Coen is zijn hele leven een jazzliefhebber gebleven, maar heeft het talent van Aznavour altijd erkend. ‘Een fantastische zanger. Het was weliswaar niet mijn genre, maar ook ik heb een plaat van hem.’