‘Ik ga door zolang mijn benen mij kunnen dragen’

Vijftig jaar zaalvoetbal verbindt sportvrienden

RODEN – Toen er in 1968 een nieuwe sporthal verrees in Roden, werd er direct een zaalvoetbalteam gevormd door overheidspersoneel. Ambtenaren, leerkrachten, politieagenten: allen kwamen ze tezamen om één keer per week op de maandagavond te voetballen. Een uurtje voetballen, niet langer. Nu – vijftig jaar later – wordt er nog steeds stug gevoetbald. De maandagavond is heilig. Bij wijze van hoge uitzondering schoof de Krant aan bij de mannen die nog steeds samen optrekken. Op een woensdagmiddag, dat dan weer wel. Want maandags moet er ook nog geklaverjast worden.

Het is een vertrouwd gezicht. Sirk, Johannes, Jacob, Harrie en Marten aan de stamtafel in Sportcentrum de Hullen. Eigenlijk altijd op de maandagavond. Na een uurtje voetballen wordt er dan gekaart en gelachen. Vooral heel veel gelachen. Vier van de vijf voetbalvrienden maakten het begin van het zaalvoetbalteam mee. Alleen Harrie kwam er later bij. ‘In 1972. En ik ben inmiddels gestopt met voetballen. Kunstheupen hè. Na tijd kom ik wel altijd klaverjassen’, zegt hij.

Het begin van het zaalvoetbalteam weet Jacob zich nog goed te herinneren. ‘Het is best bijzonder dat er een vast moment is gekozen, waarop we vijftig jaar later nog steeds voetballen’, zegt hij. ‘Iedereen weet het ook, het is vaste prik. We hebben er ook wel eens een discussie over gehad. Toen hier bijvoorbeeld een gezamenlijke bijeenkomst van geloofsgemeenschappen werd georganiseerd, wilden zij dit tijdens ons voetbaluur doen. Uiteindelijk werd de bijeenkomst op die maandagavond gehouden, maar pas nadat wij gevoetbald hadden.’

De vijf maakten vele beheerders van de sporthal mee. Marten weet ze bijna allemaal nog op te sommen. ‘Jager, Huizinga, Borgman, Sietze de Jong….’, begint hij. Door de jaren heen trokken ze allemaal voorbij. En eigenlijk konden ze altijd goed met de beheerders overweg. Een enkele had zelfs zo veel vertrouwen in de zaalvoetballers, dat ze zelf mochten afsluiten wanneer het laat werd. ‘Dat kon in die tijd nog’, lachen de heren.

Net als de meeste voetbalteams, houden de zaalvoetballers er enkele gebruiken op na. Vaste plaatsen in de kleedkamer bijvoorbeeld. Maar ook is er een ongeschreven regel wie er in een blauw of wit shirt speelt. ‘Bijgeloof’, legt Sirk uit. ‘Waar het vandaan komt weet niemand.’ De groep voetballers is geen officiële club of vereniging. ‘We bestaan ook niet meer louter uit overheidspersoneel. Dat kan ook niet, want dan zouden we niet genoeg op de been brengen’, zegt Jacob. Zaalvoetballers die mee willen doen, hoeven dus niet meer tot overheidspersoneel behoren. ‘We voetballen meestal met een man of twaalf à veertien. Die samenstelling wisselt per week. Maar dit is de groep die altijd blijft nazitten’, legt Harrie uit. Dat nazitten gaat dan gepaard met een spelletje klaverjassen, maar de vijf organiseren ook fietstochten. ‘We zijn sportvrienden, die naast het voetballen ook andere leuke uitjes organiseren. Zo moet je dat zien.’

De maandagavonden zijn een hoogtepunt in de week. Vroeger kon dat nog wel eens een latertje worden. ‘Dan zaten we tot twaalf uur ’s avonds nog na. Soms moest er dan nog snel bier van huis worden gehaald’, weet Harrie zich te herinneren. ‘Of dan kwam je met kroketten thuis’, zegt Sirk. ‘Dan nam je die mee voor je vrouw en kinderen en ging je samen nog snel even een kroketje eten. Maar die dingen kwamen vaker koud dan warm thuis.’ De meeste van die herinneringen gaan nog terug tot de tijd dat er gevoetbald werd in de Noordenveldhal. ‘Dat was vaak een lange zit’, zegt Johannes. ‘Daar mochten we vaak noteren wat er gedronken en gegeten was, zodat de beheerder dat zelf niet hoefde bij te houden. Het vertrouwen was goed.’

De fietstripjes – die nog steeds worden georganiseerd – zijn een feest voor de voetballers. ‘En het waren ook lange tochten’, zegt Sirk. ‘Vroeger fietsen we dan wel eens honderd kilometer. Later werd die afstand teruggebracht naar tachtig kilometer.’ Hilarische anekdotes zijn er genoeg te vertellen over die trips. Zoals Marten, die in plaats van zijn telefoon een afstandsbediening meenam. Ook de feestjes die door de zaalvoetballers werden georganiseerd, blijven de heren voor altijd bij. ‘Vroeger werden die feestjes tegenover het gemeentehuis georganiseerd. Kwam burgemeester Bushoff nog even aanwaaien. Konden we zomaar een uurtje langer door dan gebruikelijk’, zegt Sirk.
Het uurtje zaalvoetballen was voor de gemeente een uitkomst. Haar personeel kon zich een uur lang uitleven, waardoor zij fit en vitaal bleven. Nu – een halve eeuw later – bestaat het team allang niet meer uit overheidspersoneel. De harde kern van vijf personen houdt de maandagavond in stand. Voor zolang dat kan natuurlijk. ‘Ik denk niet dat wij over vijf jaar nog voetballen. Sterker nog: drie jaar wordt ook lastig’, zegt Johannes.  Jacob vult hem aan: ‘Ik ga door zolang mijn benen mij kunnen dragen. Het kaarten zal doorgaan. Daar ben ik van overtuigd. De maandagavond blijft heilig.’

Toch is het opmerkelijk dat dit gemêleerde gezelschap na vijftig jaar nog steeds met elkaar optrekt, zegt Jacob. ‘Marten is een Sudetenfries, Harrie een Drentse Zandhapper, Sirk een Veendrent en Johan een echte Noordenvelder. En ik? Een Pekelder Roegbainder! Maar we kunnen het goed met elkaar vinden. Sportvrienden, dat zijn we.’