LOF-prijs der Nederlandse taal

Jaarlijks worden onnoemlijk veel literaire prijzen in Nederland uitgereikt. Bekende zijn de AKO Literatuurprijs, de Libris literatuurprijs, P.C. Hooftprijs en de Jan Wolkersprijs. Daarnaast zijn er meer dan 120 andere en daarbij reken ik nog niet eens de prijzen die er voor kinder- en jeugdliteratuur zijn (18) en prijzen om schrijvers te lauweren voor boeken in hun streektaal. Ook in Vlaanderen zijn er talloze prijzen te verdelen, zoals de Prijs der Nederlandse Letteren die eens in de 3 jaar wordt uitgereikt (de laatste aan Remco Campert).

 Aan die laatste prijs is, naast de eer, ’een leuk bedrag’ verbonden, namelijk € 40.000,-. Daar steekt de P.C. Hooftprijs met € 60.000 bovenuit en ook de AKO- en Librisprijs zijn met € 50.000,- aantrekkelijk voor een schrijver om te ontvangen. Daar steekt de Jan Wolkersprijs met € 5.000 magertjes bij af, maar daar krijg je wel een unieke tekening van Siegfried Woldhek bij cadeau. Lang niet alle prijzen halen de landelijke pers, of het zou om de Gouden Ganzenveer moeten gaan voor de persoon of instituut voor zijn of haar grote betekenis voor het geschreven woord in het Nederlands. Bekende schrijvers zijn Armando, Campert (alweer), Hofland, Mak, Grunberg en ook de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten viel eens die eer ten deel (in 1986). Ook de Gouden Ezelsoor is bekend. Die wordt met enige regelmaat uitgereikt aan een debuterende schrijver van wie in één jaar tijd de meeste exemplaren van het debuut waren verkocht. Het zijn niet de eersten de besten die in het rijtje van winnaars staan: De Moor, Palmen, Giphart, Abdolah, Grunberg, Wang, Durlacher en zo zijn er nog veel meer bekenden. Bij de Johnny van Doornprijs dacht ik dat die ’de grootste selfkicker’ ten deel zou vallen, maar met winnaars als Wilmink, Chabot, Spinvis, en Dijkshoorn is dat niet staande te houden, hoewel bij enkele… Deze prijs wordt tweejaarlijks uitgedeeld tijdens festival ’De geest moet waaien’ in Arnhem.

 

Als je eenmaal bezig bent heb je de neiging om er nog veel meer te noemen: De Gouden Strop, de Brandende Pen (voor het beste korte verhaal) en zo zijn er vele die vernoemd zijn naar bekende (overleden) schrijvers, bedrijven en stichtingen. De meeste kent u waarschijnlijk niet. Vaak zijn het dezelfde (bekende) schrijvers die voor hun pennenvruchten worden beloond en zo een aardige grijpstuiver bijverdienen. Maar niet voor niets staat boven mijn column ’LOF-prijs der Nederlandse taal’. Ook deze nog niet lang bestaande prijs (van de Stichting Nederlands) kent vermaarde prijswinnaars, o.a. Finkers en Hofland. Vorig jaar werd de prijs toegekend aan de Commissie Nederlandse Namen van de samenwerkende Nederlandse en Vlaamse Mycologische Verenigingen, die verantwoordelijk is voor de classificering en naamgeving van de paddenstoelen in Nederland en Vlaanderen. Ik weet het, dat is best een mondvol. De motivatie, die hoort er uiteraard bij, was eveneens behoorlijk uitgebreid, maar kort gezegd kwam het erop neer dat de commissie is beloond voor het verrichten van een huzarenstuk door vijfhonderd en tien soorten paddenstoelen die de laatste jaren in de Lage Landen ontdekt zijn, mycologisch en taalkundig verantwoord te classificeren en daarvoor heerlijke Nederlandse namen wist te bedenken.

 

Als lid van de Nederlandse Mycologische Vereniging kreeg ik een alleraardigst boekje met alle namen erin (ook de Latijnse). Daar hebben we vaak veel schik in, maar de schrik slaat je ook om het hart dat er alweer zo ontzettend veel soorten in korte tijd zijn bijgekomen. Het zijn er nu al meer dan 5500 waarmee we rekening moeten houden. Nieuw zijn o.a. het Konijnenkwastkopje, Langsnavelig bleekbolletje, Oogstrelend piekhaarkelkje en Scheefhoofdig knikkerpluis. Tijdens een excursie op 12 januari jongstleden kwamen we op een totaal van meer dan 80 soorten een stuk of 10 nieuwe voor dit gebied (De Kleibosch) tegen. Bij één ervan vermoedde ik dat hij wellicht ook op de lijst zou staan, het Bruinsporig hangbuisje (foto), maar die bleek al eerder te zijn benoemd. Iemand verbasterde dit paar mm grote zwammetje balorig tot ’buitensporig dwangbuisje’. Dat krijg je met die Nederlandse namen. Liever gebruiken we de Latijnse naam, Phaeosolenia densa, en zeggen dat hij duidelijk tot de cyphelloïde basidiomyceten behoort. Maar of ú daar iets aan heeft…?