Maria’s Mooie Mensen 318

 

Er is een keur aan ‘hulpmiddelen’ voor degene die kleine kinderen heeft. Het ene functioneert fantastisch, andere zogenaamde handigheden blijken eerder het omgekeerde en belanden vaak al snel tussen de lading overbodig geraakte spullen. Deze stapel, te vinden op onze zolder, bestaat uit veel te veel kleren – soms slechts weken gedragen – zonnehoedjes aangeschaft voor kinderen die dit resoluut weer aftrokken, draagdoeken waar mijn dames al lang niet meer inpassen en zeker twaalf knuffeldoekjes waarvan ongeveer tien ongebruikt. Waar we bij onze oudste dochter vooral met afkeer hulpmiddelen als wipstoeltjes uit ons huis weerden, besloten we voor onze tweeling alle hulp dankbaar te aanvaarden en gingen we opeens vol voor spenen – nog altijd wel zónder de ó zo handige speenkettingen waarin ik mijn kinderen in mijn ergste nachtmerries zag smoren – en badzitjes. Een lastige in dit hele verhaal zijn de kinderstoelen. Onmogelijk om zonder te kunnen, alhoewel het ze in Afrika volgens mij heel prima lukt, maar wat zijn die dingen lelijk. Voor oudste dochterlief speurde ik fanatiek naar een exemplaar wat me wel aanstond, maar die bleken zo verschrikkelijk duur dat ook wij zwichten voor een vreselijk Zweeds marteltuig. Het zijn slechts wat plankjes op elkaar, maar het schijnt dé meest ergonomische stoel te zijn die in vele huishoudens met kleine kinderen prijkt. Sommigen kunnen er geen genoeg van krijgen en prediken er ook zelf heerlijk op te zitten. Hoe dan?, vraag ik me vertwijfeld af als ik de discussie met mijn dames verlies en zij heerlijk op mijn goede stoelen plaatsnemen en er voor mij slechts een stapel plankjes resteert. Met lede ogen zie ik elke dag als ik mijn woonkamer in loop drie van die vreselijke stoelen aan mijn tafel prijken. De oplossing is uiteraard simpel. Het mooie is: oudste dochterlief deelt mijn afkeer voor haar stoel. Er is slechts één voorwaarde waar ze aan moet voldoen, wil manlief overstag gaan en de stoel de deur uit zetten: netjes eten. En laat nou net dat ene een onmogelijke opgaaf zijn voor mijn dochters. Bekers gaan hier zeker twee keer in de week om. Aangezien mevrouw een voorliefde heeft voor sinaasappelsap betekent dat de dweil weer tevoorschijn moet komen en in het ergste geval de kleren ook afgestroopt. Het is dan best praktisch dat de stoel slechts een doekje behoeft en weer op zijn plek gezet kan worden. Maar praktisch wint het toch nog altijd niet van prettig of prachtig. Samen mopperen we wat af als manlief er niet is. Zo klaagt zij dat de stoel simpelweg hard zit – dat kan ook niet anders als ik de plankjes bekijk -, dat ze te groot wordt, dat de stoel niet makkelijk aanschuift en dat de kleur niet goed is. Ik beaam haar klaagzang altijd weer met een helder: ‘het is een onding’ of als ik in een mindere bui ben: ‘het is een strontding’. ’s Avonds herhalen we ons lied nog eens voor manlief die onbewogen blijft en constateert dat dochterlief ook die avond weer niet schoon de tafel verlaat. En opnieuw heeft de stoel ons verslagen.