’t Is weer voorbij…

Deze woorden worden veelal gevolgd door ’…die mooie zomer’. Het is een liedje van Gerard Cox die daarmee op ietwat weemoedige wijze afscheid nam van de buitengewoon fraaie zomer in 1973. In de jaren erna, tot op de dag van vandaag, wordt dit nummer na afloop van alweer een zomer, mooi of niet, op de radio steeds opnieuw ten gehore gebracht. Of er ook een liedje is dat het einde van de winter op even weemoedige wijze bewierookt betwijfel ik.

Daarbij kun je de vraag stellen wanneer er sprake is van een mooie winter. Wat mij betreft is dat een winter met pakweg 2 à 3 weken ijsplezier in januari of begin februari, inclusief een Elfstedentocht. Kom daar maar eens om. Voor het organiseren van ’De Tocht Der Tochten’ is over het hele traject een minimale ijsdikte vereist van 16 cm. Daarover heb ik al eens geschreven dat de kans daarop enerzijds steeds groter wordt, maar anderzijds ook steeds kleiner. Dat heeft met de ontwikkeling van het klimaat te maken. Overigens lag op mijn vijver een ijsvloer die meer dan 25 cm mat. In de schaduw en luwte wil ijs best snel aangroeien. Enfin, er zijn deze winter toch nog een paar marathons op natuurijs verreden en jaarlijks wordt in Oostenrijk een alternatieve elfstedentocht op de Weissensee verreden. Maar dat laatste is niet meer dan surrogaat, een slap aftreksel dat niet kan wedijveren met de ware tocht met het volksfeest eromheen. Nu de winter voorbij lijkt kun je de balans opmaken en dan is de conclusie toch dat het opnieuw een winter was die niet echt veel voorstelde, ondanks het slot ervan. En rouwig erom dat het weer voorbij is ben ik beslist niet, want het was de laatste tijd echt snijdend koud en dat is iets waar ik niet van houd.

Omdat ik in de winterperiode nogal wat schrijfwerk heb te verrichten breng ik veel tijd door op mijn kamer met uitzicht op de tuin achter ons huis. In het verleden placht ik het voederen van vogels over te laten aan de buren, maar de laatste jaren neem ik het voederen zelf ter hand. Het zorgt voor de nodige afleiding en het verschaft gelijk een hoop plezier. De afgelopen vorstperiode trouwens ook een hoop werk, want dagelijks moest er soms wel drie keer worden bijgevoerd, zoveel voer ging er doorheen. Vooral zonnebloemzaden waren erg in trek en het netje met meelwormen was in no-time leeg. Het kostte dus een paar centen, maar daar denk je niet aan. Van anderen hoor ik altijd graag wat er bij hen is te beleven en soms is er sprake van grote verschillen. Zo zie ik geen mussen en bij een ander wemelt het ervan. Wel zie ik een enkel stelletje in de tijd dat ze jongen hebben. Die jongen hebben eiwitten nodig en de oudervogels weten precies wanneer er veel haften (eendagsvliegen) bij onze vijver vallen te snaaien. Die plukken ze van de plantenstengels en soms fladderen ze als kolibries in de lucht om ze te bemachtigen. Spreeuwen zie ik ook hoogstzelden. Wel in de buurt en voor ons huis om in een gemeentelijk plantsoentje te foerageren, maar zelden achter ons huis.

Dan is er nog een zeer algemene vogel die je overal ziet, maar in de ca. 25 jaar dat we in Roden wonen nog nooit achter ons huis: de Kauw. Kennelijk is er iets dat ze ervan weerhoudt om daar naar voedsel te zoeken. Waarschijnlijk is het er te besloten en missen ze het gewenste overzicht. Onze tuin grenst namelijk aan een bosje dat pakweg 25 meter verderop begint. Kraaien hebben er geen probleem mee en andere kraaiachtigen als Gaai en Ekster ook niet. Overigens opereren Kauwen meestal in groepjes en (bijna) altijd als paar. Eenlingen zie je zelden. En dan de Kokmeeuwen die u op de foto ziet. Soms offer ik een kliekje, maar deponeer dat altijd voor ons huis. Onze buurvrouw voert ze echter achter het huis. Dat valt snel op, want het gaat met de nodige vliegbewegingen en herrie gepaard. Omdat ik nog moet leren met mijn nieuwe camera om te gaan strooide ik wat brood op het ijs van de vijver. Dat werd al snel ontdekt en zodoende kon ik de foto maken die u boven dit stukje ziet. Daarbij valt op dat sommige vogels nog echt in winterkleed zijn (met de ’koptelefoontjes’), maar bij een ander breekt het zomerkleed al door. Uiteindelijk krijgen ze alle een chocoladebruine kap die hen zo kenmerkt. Twee andere meeuwen hebben in de zomer ook van die donkere koppen: de Dwergmeeuw, goed te onderscheiden door het formaat en donkere ondervleugels, en de Zwartkopmeeuw. Bij hen reikt de kap tot ver op het achterhoofd.