“Voor Rodermarkt komen ze allemaal terug”

Rodermarkt is en blijft de mooiste tijd van het jaar

RODEN – Er is een jubileum te vieren dit jaar en wel dat van de Jaarbeurs van het Noorden. Met een historie van 65 jaar is het een diepgeworteld evenement, maar volgens Tiny Hagenauw spreken we nog altijd van “een schijntje” vergeleken met de Rodermarkt zelf. Ze neemt ons mee door haar herinneringen samen met zoon Bé die opgroeide aan de Heerestraat waar zijn ouders hun fouragehandel elk jaar met de Rodermarkt omtoverden tot een koffiehuis.

Tiny heeft nog altijd een prachtig plekje in het centrum van Roden in de Zonnehof. Het is dan wel niet de Heerestraat, maar ze ziet de achterkant van de Pompstee die haar één jaar zelfs tot vijf uur ’s ochtends wakker hield met harde rockmuziek tijdens de Rodermarkt. Dat hoeft voor haar niet zo, maar de feestweek zelf kan immer op haar aanwezigheid rekenen. Niet meer zo als vroeger, want: “ik heb de beste pluk er wel af”. Maar toch: “de dinsdagmiddag is de mooiste dag, want daar zijn veel oud-Roners die je anders nooit meer ziet”, ze is altijd bij de parade: “dat vind ik heel mooi” en ook de Brink is een leuke plek: “met al die muziek daar is het zo gezellig op straat”.

De herinneringen echter, zijn nog mooier dan de het feest tegenwoordig nog kan zijn. We gaan terug naar een tijd dat het dorp er nog heel anders uitziet en de familie Hagenauw een vast gegeven in het Roner winkelbestand was. Op de plek van de Jumbo hadden zij hun fouragehandel, waar ze veevoeders en eieren verkochten, met aan de achterkant een grote loods met voorraad. Daarachter niks geen parkeerplekken maar nog grasland. De Rodermarkt begon toen nog op maandagavond met het ‘stoelen tellen’. “De mannen gingen dan op pad, de vrouwen niet hoor. Ze gingen de kroegen langs om te kijken of de kroegen alles klaar hadden staan; lange tafels en stoelen. En iedere keer innemen natuurlijk”, lacht Tiny. Dinsdag was de paardenmarkt waarna de Roners ’s avonds zelf op pad gingen en woensdag wachtte een feestelijke afsluiting met spelletjes als hobbelfietsen en natuurlijk waren er de kortebaandraverijen. Later kwam de parade erbij waar Tiny nog meerdere malen een glansrol vervulde op de wagen van de Heerestraat. Met onderwerpen als de Roner Kerktoren, Roden, de parel van het Noorden en Camping Ot en Sien wisten ze hoge ogen te gooien en de eerste prijs binnen te halen. Die wagen werd uiteraard gebouwd in de grote loods achter de fouragehandel van de Hagenauws en die hielden ze dan vanzelfsprekend vrij in de periode. “Mijn man ging in die tijd gewoon niet de boer op”, vertelt Tiny. “Wij zaten echt hartstikke goed”, vertelt Bé, “want we hadden alles. Horeca, cafetaria en slijterij.”

Hij doelt op het koffiehuis wat de familie elk jaar op de dinsdag runde. “Die schuur werd dan helemaal omgebouwd. En dan serveerden we soep en broodjes en natuurlijk bier.” Ze waren niet de enige die deze ene dag in het jaar van professie veranderden. “Verderop hadden ze het wel in de huiskamer of op de oprit. Er waren meer, want toen was dat handel. Het moest goed zijn hoor”, voegt Tiny eraan toe, “verse soep, echte roomboter op de broodjes. Wat een voorbereidingen ook. Gelukkig had ik dan opoe en omoe Brink die de hele dag gehaktballetjes kwamen draaien.” Het boeide niet, voor de Rodermarkt ging alles aan de kant en moest alles perfect zijn: “de stoepjes werden overal geboend, tegels gelegd en keurig weer met wit zand ingeveegd. Alles werd aangeharkt, dat vond ik altijd zo mooi.” Maandagavond werd de tap aangesloten, altijd weer een speciaal moment. “Oud-Roners kwamen van heinde en verre terug, ik weet nog wel Reina en Dikke Tiem kwamen altijd uit de Noord-Oostpolder. Maar ze wisten wel wanneer de kraan aangesloten werd hoor”., lacht Tiny. Het eerste biertje was traditiegetrouw voor gastvrouw Tiny zelf, alhoewel ze daar de eerste keer niet zo aan wilde. “Nou dat was wat, want ik lustte geen bier. Dat zouden ze me wel even leren: niet nippen, gewoon doordrinken. En ik zal je zeggen: ben er nooit meer vanaf gegaan. Je houdt het er gewoon het langst op vol. Niet uit een flesje hè, gewoon uit de kraan.” Dinsdagochtend om vijf uur stonden de eerste boeren al op de stoep. “Die kwamen dan uit Limburg en de Veluwe en hadden wel trek na een lange reis. Dus dan waren we present en kwam de soep op tafel. Jullie hoefden zeker nog niet mee te helpen?”, vraagt Bé die verbaasd kijkt. “Zeker wel”, zegt hij, “als ober.” Ook hij weet nog hoe groot de markt die dag was. “De hele Heerestraat stond vol met paarden. Van waar nu de Mitra is tot aan het Wapen van Drenthe. In de Raadhuisstraat vond je alle koeien. En dan waren er nog wat schapen in een hok. En dat steegje tussen Jumbo en nu Univé dat was de monsterbaan. Daar werden de paarden gekeurd, ze werden even los gelaten en moesten draven. En dan in de schuur werd er afgerekend.” “Met een biertje erbij”, lacht Tiny. Het gesprek draait naar de kermis en al snel sommen de twee attracties op die al lang niet meer te vinden zijn: “Het spijkerbed”, lacht Bé, “vuurvreters en de boks-ring.” “De dikke dames”, voegt Tiny toe, “en de waarzegster, de cakewalk, schommelbootjes en die motoren op de steile wand.”

Ze heeft mooie jaren gehad, vindt ze zelf. “We hadden de tent altijd tjokvol. Ik ga nu nog wel heen, maar de beste pluk is er wel af. Eerder had ik het wel dan ging je maandag heen en stond je dinsdag om vijf uur alweer in de schuur. Dan gingen we gewoon niet op bed. En dan zeiden ze ’s avonds: nu ga je zeker op bed? Echt niet, die dinsdag was heel gezellig, dan ging je gewoon weer.” Voor Bé zijn dit jeugdherinneringen, maar ook later volgt hij de Rodermarkt als echte Roner volop. “Ik ging altijd veel op pad bij de voorbereidingen”, vertelt hij, “als de gemeentemedewerkers bezig zijn de hekken te zetten, de kermis wordt opgebouwd en dan drink ik voor die tijd een biertje aan de bar. Als het grote feest echt begon, was ik al weg.” Tiny dist intussen alweer een andere herinnering op hoe de mannen voor haar en haar vriendin een stoel reserveerden en zelf weer op pad gingen. “Die gingen echt niet de hele avond bij ons zitten. Nou dan konden we ook wel alleen heen gaan.” En alleen ging ze ook naar huis, zonder sleutel. Helaas lag manlief al in bed, met de sloten erop.  En die kreeg ik met geen mogelijkheid wakker. Ben ik door het wc-raam gekropen.”

Ook nu nog is Tiny elk jaar present. “Of ik nog heenga? Natuurlijk wel”, vertelt Tiny, “maar als wij naar bed gaan, komt de jeugd pas. De kroegen zijn nog leeg als wij komen.” Het is wennen geweest nadat de familie van de Heerestraat verkast. “Ja, dat eerste jaar is wel heel anders, dan heb je opeens ruimte en tijd zat. Gelukkig vonden we dit huis, echte Roners moeten niet aan de Ceintuurbaan gaan wonen.” Groot feest dat was het, en dat is het. “De mooiste tijd van het jaar. “Roners die uitgevlogen zijn, voor Rodermarkt komen ze allemaal weer terug.”