Vroeg uit de veren

column-cees-geelgors

Dit voorjaar treffen we het niet met het weer. Sterker, goedbeschouwd hebben we tot nog toe nauwelijks kunnen genieten van een mooie voorjaarsdag. Het is vooral koud, veel te koud zelfs, en als het een keer een beetje schier weer was moest je de luwte opzoeken om iets van de warmte van de zon te voelen. Zelfs vogels lijken ondanks hun verenkleed af en toe last van de kou te hebben. Dat zie je goed op de foto die Bertus van der Velde maakte van een ’kleumend’ mannetje van de Geelgors.

Dat is natuurlijk niet echt waar en daarom staat er ook bij dat het zo lijkt. Het is een menselijke interpretatie. In werkelijkheid doet hij dit om juist wat extra van de zon te genieten. Merels zie je op deze wijze, vaak met gespreide vleugels, ook wel een zonnebad nemen. Kleumen is meer iets voor mensen, maar dat is dan weer een gevolg van niet goed gekleed zijn of, zoals ik, als je extra gevoelig voor kou bent. Sinds half maart moet ik daar rekening mee houden, want sinds die tijd trek ik er voor dag en dauw op uit om vogels te inventariseren. Dat doe ik in een deel van het Mensingebos, de Kleibos en de Zuidermaden langs het Peizerdiep. De pakweg tien keer dat ik er nu ben geweest is het ’s morgensvroeg nog geen enkele keer boven de 5º C geweest. Eén voordeel heeft het wel, last van muggen en andere steekbeesten heb je dan niet.

De Geelgors kom je in het Mensingebos op het Moltmakersstuk e.o. tegen, maar slechts een enkele keer in een houtwal in de Zuidermaden. Je hoeft hem niet eens te zien om vast te stellen dat hij er zit, want zijn liedje is zeer herkenbaar door de gelijkenis met de eerste tonen van de 5e symfonie van Beethoven. Na een periode van vrij sterke teruggang van de populatie gaat het de laatste tijd een stuk beter met deze soort, die voornamelijk in het oostelijke deel van Nederland (van Groningen tot aan Zuid-Limburg) broedt. Dus vooral op de pleistocene gronden. De Rietgors is een stuk algemener en in De Onlanden zelfs één van de meest algemene broedvogels. Logisch, want daar heb je veel riet (en water) en dat is toch het milieu waarin hij zich het liefst ophoudt.

Naast deze twee gorzen zie ik geregeld in het winterhalfjaar de Sneeuwgors. Bijna altijd in het Lauwersmeergebied en soms op Schiermonnikoog. Daar trof ik ook enkele keren de IJsgors, maar die is een stuk zeldzamer. Tijdens vakanties in Frankrijk kwam ik nog enkele gorzen tegen: de Grauwe gors, Cirlgors en de Grijze gors. De laatste twee zijn fraaie vogeltjes, iets dat niet kan worden gezegd van de Grauwe gors. Die doet zijn naam eer aan. Met deze soort is het in Nederland desastreus verlopen en de verwachting is, en misschien is dat al zo, dat hij straks te boek staat als ’voormalige broedvogel’. Hoofdoorzaak is de intensivering van de landbouw. Voor 1970 kwam je hem nog regelmatig tegen, maar omstreeks 1975 waren er nog maar 1250 broedpaartjes van over. Dat de stand hollend achteruit ging bleek in 2000 toen er nog maar een fractie van over was (ca. 70) en nu is het dus al zeer bijzonder als je er één ziet.

Parallel hieraan verliep de ontwikkeling van de Ortolaan, waarvan er heden ten dage misschien sporadisch nog een paartje tot broeden komt. In het begin van de 20e eeuw was er nog sprake van minstens 4000 broedparen, maar in 1950 waren er nog slechts 1500 van over en in 1980 amper meer dan 100. De Ortolaan houdt van een kleinschalig, structuurrijk agrarisch landschap met graanakkertjes, maar dat is steeds meer vervangen door grote, monotone kavels waar door het gebruik van bestrijdingsmiddelen niets valt te halen. Slechts enkele keren heb ik de Ortolaan in Nederland gezien en de laatste keer was pakweg 20 jaar geleden. Afgelopen zaterdag moest ik de Zuidermaden inventariseren, had de wekker op 5.10 uur gezet, maar was iets eerder al wakker… dacht ik. Toen ik naar buiten ging was het echter nog doodstil en vooral duister. Het bleek dat het toen nog maar 4.30 uur was! Na een uurtje uitstel wachtte in het veld een grote verrassing: nota bene een paartje van de Ortolaan op een kaal stukje grond langs het Peizerdiep. Misschien ben ik dit jaar wel de enige die de Ortolaan in Nederland ziet. Daar kan ik nog weken van nagenieten en het balen van te vroeg opstaan was snel vergeten.