136, 38,2 en 84


Het is ondenkbaar dat we zonder cijfers zouden kunnen. Alles wordt er mee onderbouwd. Ook in deze column hanteer ik ze vaak. Hierboven staan een paar cijfers waarvan u zich wellicht afvraagt waarvoor ze staan. Bij de eerste zult u er geen weet van hebben. Dat is namelijk de hoeveelheid (mm) neerslag die bij ons in de maand maart  viel. Dat is best een flinke score, maar daar staat tegenover dat ik in de maanden januari en februari slechts 90 mm mat. In één kwartaal dus 226 mm. Als in de rest van het jaar dezelfde aantallen worden gemeten spreken we van een bovengemiddelde regenval.

Na het bizar droge jaar 2018 zou dat best prettig zijn, vooral voor de natuur, maar ook voor de gemiddelde grondwaterstand die nog steeds op de meeste plekken lang niet op peil is. Het tweede cijfer slaat op de hoogste temperatuur ooit in Nederland die vorig jaar in Arcen (L) werd gemeten: 38,2°C. Zo warm hoeft het wat mij betreft dit jaar niet te worden. Ik prefereer een zomerse temperatuur van ± 25°C. Warmer hoeft niet. Dat is ook een temperatuur waar veel dieren zich wel bij voelen, bijvoorbeeld vlinders. Hiermee kom ik op het derde getal dat de afgelopen week nadrukkelijk in beeld kwam. Het CBS en de Vlinderstichting traden namelijk met dit getal naar buiten. Het geeft de achteruitgang van de vlinderstand in Nederland weer vanaf 1890. Daar zat ik wel even tegenaan te hikken, want pas sinds 1992 wordt door de Vlinderstichting systematisch gegevens verzameld en u weet: Meten is weten. Hoe dan ook, het is ook bekend dat ruim honderd jaar geleden en lange tijd erna extensief werd geboerd. Er was ruimte voor natuur. De weiden en akkers stonden nog vol met wilde planten en dat is nu wel heel anders. Als we het hier specifiek hebben over vlinders is vooral de stand van de boerenlandvlinders in elkaar gestort. In de atlas ”Dagvlinders in Drenthe” van 2016 schreef wijlen Minko van der Veen nog een alarmerend hoofdstuk over deze teruggang.

Even was er hoop dat er sprake was van een kentering toen de stand van bedreigde soorten als de Grote parelmoervlinder, Kleine heivlinder en de Zilveren maan een lichte verbetering liet zien. Het was een gevolg van gerichte beheermaatregelen die deze soorten zouden baten, maar helaas was de opleving van korte duur en is de neerwaartse spiraal weer ingezet. Enkele lichtpuntjes zijn er mondjesmaat en die zijn het gevolg van de klimatologische opwarming en de iets grotere variatie in bossen. Daar profiteren soorten als het Boswitje, de Grote weerschijnvlinder, Kleine ijsvogelvlinder en Keizermantel van. Daar staat wel een verlies van 15 soorten tegenover, hetgeen een verlies is van pakweg 25%. De aantallen vlinders lopen ook in ons omringende landen sterk terug. In Beieren zelfs extreem. Van de 117 verschillende soorten die er voorkwamen zijn er maar liefst 46 verdwenen. Dat is 40% en dan mag je met recht spreken van een desastreuze, ronduit beangstigende neergang en je vraagt je af wanneer dit stopt en of er überhaupt nog een tijd komt dat alles weer ten goede keert.

Waar het wel goed mee gaat is de plant die u op de foto ziet afgebeeld, Blauwe druifjes. We kennen dit bolgewasje vooral als tuinplant. De geschiedenis leert dat de plant al in de 15e eeuw uit Zuid-Europa hier is ingevoerd en, net als zovele andere planten, vanuit tuinen is ’ontsnapt’ en in de natuur is verwilderd. Als er aan bepaalde criteria wordt voldaan wordt een plant als inheems beschouwd. De Nederlandse Verspreidingsatlas laat zien dat hij voor 1990 in 177 uurhokken voorkwam (dat zijn hokken van 5 bij 5 km) en dat aantal is heden ten dage al opgelopen tot 697. Eerder werd Blauwe druifjes (zo heet de plant en het is dus niet Blauw druifje) gerekend tot de grote Leliefamilie. Die is echter opgesplitst in meerdere families en tegenwoordig maakt hij deel uit van de Asparagaceae, vernoemd naar de Asperge die nu weer volop verkrijgbaar is. Die Asperge komt toevalligerwijze in net zo veel uurhokken voor als Blauwe druifjes, maar dan meer in de duinstreek en Zuid-Nederland. Het zijn dus beide planten waar het best goed mee gaat.                        

Dat geldt ook voor de Zwartkop die ik afgelopen vrijdag dit jaar voor het eerst achter ons huis hoorde zingen. Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw is de stand daarvan meer dan verdubbeld en nu broeden er in Nederland misschien al wel een half miljoen paartjes van deze zanger die een krachtig, gevarieerd liedje ten gehore brengt. Inmiddels zullen alle andere zomergasten hun winterverblijven hebben verlaten en zijn ze onderweg naar hun broedgebieden. Zo is de Boerenzwaluw ook al weer aanwezig, maar als het koud is vliegen er minder insecten en moeten ze hard werken om hun kostje bijeen te garen. Een vogel als de Boomvalk arriveert daarom pas in mei, wanneer er weer volop libellen zijn.