‘Al snel was ik besmet met het molenaarsvirus’

Met molenaar Harm Jansen op molentocht in Woldzigt

RODEN – Harm Jansen uit Roden weet alles over molens. Hij werkt als molenaar op de molen van Roderwolde, ook draait hij af en toe op een van de molens in Norg. Waar de kost verdienen vroeger met stip op nummer één stond voor de molenaar, is het nu vooral rondleidingen verzorgen, wat hobbyen en de conditie van het historische erfgoed bewaken. Noordenveld Plus met de molenaar op molentocht in Woldzigt.

Woensdagochtend 10:00 uur. De zon beschijnt de vier wieken van de molen die stamt uit 1852, de oudste van de vier molens in de gemeente. Harm Jansen opent het groene zijdeurtje. Eenmaal binnen is het fris en donker. ‘De wind geeft, wie vangt heeft’, prijkt op de muur waar de kollergang zich bevindt. “De molen wordt volledig aangedreven door wind, duurzamer kan niet”, lacht de molenaar die in zijn prepensioen-tijd de opleiding volgde. Harm is voorzitter van Woldzigt en van het Gilde van Vrijwillige Molenaars Drenthe. Hij is op geleid als werktuigbouwkundige en had jarenlang een technische baan bij Cordis, op een afdeling voor kunstnieren. “De techniek van molens heeft me altijd geboeid. De opleiding was heel interessant. Je duikt in de techniek van vroeger. Al snel was ik besmet met het molenaarsvirus. De kick toen ik eenmaal zelf de molen mocht bedienen was enorm. Nog steeds is er een te kort aan molenaars in Nederland en ook in Noordenveld, weet Harm die hoopt dat jongeren ook besmet raken met het virus.

Woldzigt is een bijzondere molen. Het is namelijk een olie- én een korenmolen. Harm neemt ons mee naar de ruimte naast het ‘winkelgedeelte’ waar de flessen lijnolie in de schappen staan. Die lijnolie wordt daar geslagen alvorens het eerst geplet is door twee enorme stenen van 4000 kilo per stuk. Die stenen draaien op een zogenoemd ‘doodbed’, de kollergang van de molen. “Lijnzaad (bevat ong. 45 procent olie) komt binnen in zakken van 25 kilo. Die stenen vermalen het tot lijnmeel”, legt de molenaar uit. “Vervolgens warmen we het meel op een vuurtje op om de olie er gemakkelijker uit te kunnen krijgen. Daarna wordt het er onder druk uitgeslagen door heipalen. Vandaar de benaming ‘olieslaan’.”

Zeep- en verfindustrie

De geproduceerde olie wordt niet gebruikt voor consumptie, maar voor andere doeleinden. “Wil je olie produceren voor consumptie, moet je onder hygiënische omstandigheden werken, dat kan hier niet. Al zou ik het persoonlijk wel aandurven hoor, het is heel puur,  maar het mag niet.  Lijnolie  werd vooral gebruikt voor de zeep- en verfindustrie. De paar honderd liter lijnolie die wij nu nog op jaarbasis produceren is voor de particuliere verkoop en er wordt door een verffabriek natuleum van gemaakt, een natuurlijke carboleum. En je kunt je houten tuinset er heel mooi mee insmeren.” Het hele systeem in de molen is vernuftig bedacht. Zeker als je bedenkt dat de molen al 168 jaar oud is. Het verwarmde meel met olie wordt  in wollen zakken gedaan. Die zakken worden daarna in lederen tassen gelegd en in het voorslag geplaatst. Het heipaalmechanisme wordt in werking gezet. Palen van 150 kilo per stuk denderen met enorme vaart naar beneden. De olie die uit de zakken stroomt wordt opgevangen in emmers, vertelt de molenaar. De lijnkoeken die daaruit ontstaan worden nog een keer tot meel verwerkt  waarna het proces zich herhaalt in het naslag. Daar wordt de allerlaatste olie  (tot 6 procent) er uitgeperst. De dan nog overblijvende koeken worden gebruikt als veevoer.

“Het basisprincipe is om iedere eerste zaterdag van de maand olie te slaan voor publiek. Dat doe ik afwisselend met Dirk Magré, de andere molenaar die in de molenaarswoning naast de molen woont. Door het coronavirus is de molen al enige tijd gesloten. De verwachting is dat dat het hele seizoen zo blijft. Je kunt hier onmogelijk voldoende afstand houden van elkaar. Een molen is niet gebouwd voor bezoek. Alles is klein, de trappen zijn smal, enkel bedoeld voor de molenaar die er zijn brood moest verdienen”, zegt Jansen terwijl we de trap op klauteren naar de eerste verdieping. “De machinekamer, de versnellingsbak van de molen noem ik het. Hier gebeurt de overbrenging van wind naar de olieslagmechaniek. Zie je dat tandwiel? Dat is het rondsel en zorgt ervoor dat de kollergang gaat draaien.”

Armoedig bestaan

Molenaar is een armoedig bestaan, vertelt Harm Jansen terwijl we weer een verdieping hoger zijn geklommen. Op de stellingzolder die toegang biedt tot de stellingen van de molen wordt ook het koren vermaald tot meel. Tot de jaren vijftig de gewoonste zaak van de wereld. Geen mooi vak was het. Een zwaar en armoedig bestaan. Ken je de uitdrukking ‘de mouw van de molenaar?’ Een molenaar had grote mouwen. Het verhaal wil dat daar het meel in verdween dat de molenaar voor zichzelf bedoeld had.” Met het intreden van de industriële revolutie verdwenen ook de beroepsmolenaars, weet Jansen. “Janko Doornbos is destijds door de gemeente aangesteld om de molen te beheren. Hij was timmerman bij de gemeente. Dat kon toen gewoon.”

Een beetje achtergrond: Woldzigt is een windmolen. Daarnaast heb je ook watermolens en rosmolens. Dat zijn grofweg de drie hoofdsoorten, vertelt Jansen. Rosmolens worden door paarden aangedreven, vandaar de naam.  Binnen de windmolens heb je onder andere de grondzeilers, molens die op een vlak stuk land aan de grond staan, ze vangen nagenoeg altijd wind. De stellingmolen zoals Woldzigt en de andere molens in de gemeente moeten de lucht in om voldoende wind te kunnen vangen. Ook de bouwwijzen zijn verschillend, je hebt houtenmolens en stenenmolens, molens met 8 kanten en 6 kanten, zoals de molen in Niebert dat heeft. Drents Landschap is eigenaar van 3 van de 4 molens in de gemeente Noordenveld: Koren- en oliemolen Woldzigt (1852) in Roderwolde, Korenmolen de Paiser Meul (1898) en korenmolen De Hoop (1857)in Norg. Noordenveld, de andere Norger korenmolen Noordenveld (1878), is eigendom van Jan Dorenbos uit Norg. Molens kwamen halverwege de twaalfde eeuw naar Nederland, weet Jansen. “Ze rukten op vanuit Frankrijk en Engeland. Het malen met molens is begonnen rond het Middellands zeegebied. Watermolens in ons land zie je ze veel in het zuiden, bij de rivieren.”

Ondertussen kruipen we nog een trapje omhoog.  De ‘steenzolder’, verklaart Jansen. “Hier liggen de korenstenen. Om koren te malen heb je vijftien omwentelingen per minuut nodig en een minimaal windkracht 2. Voor olieslag het liefst windkracht 4/5. Mocht het harder waaien, kunnen we de dat reguleren doormiddel van de zeilen die aan de wieken zitten. Meer zeilen betekent automatisch meer weerstand en dus meer omwentelingen per minuut”, legt de molenaar uit. Vanaf de steenzolder leidt er nog een trap naar een nog hogere plek in de molen. “De tussenzolder. Kijk, de kraaien zijn weer bezig geweest”, zegt Jansen terwijl hij een handvol riet van de grond plukt. “Ze proberen hier altijd nesten te maken. Daar moet je als molenaar ook op letten.” Nog één trap te gaan. De nok van de molen. Een plek die –net als de tussenzolder- gesloten blijft voor publiek. Logisch ook. Claustrofobisch moet je niet zijn, de ruimtes worden steeds krapper. “Dit noemen we de kapzolder. Hier ligt het remsysteem van de molen. En de hoofdas, waar de wieken aan vast zitten. Hier wordt horizontale wind overgebracht met een verticaal wiekensysteem.” De zware gebinten van eikenhout en enorme tandwielen domineren de krappe ruimte. Hoewel klein, een heel belangrijke plek voor de molenaar. Want de mechaniek moet regelmatig worden gecontroleerd op gebreken. Bovendien moet het mechaniek op z’n tijd worden ingesmeerd met reuzel. Ondertussen slaat de klok half twaalf. Harm Jansen is nog lang niet uitgesproken. Hij kan uren vertellen over zijn geliefde molens. Met een meter aan molenboeken in zijn boekenkast kent hij vrijwel ieder detail. De redacteur weet genoeg voor een reportage in Noordenveld Plus.