Blik in de Bajes (1): Marten Antoons, plaatsvervangend hoofd Detentie en Re-integratie

Iedereen kent de penitentiaire inrichtingen in Veenhuizen van de buitenkant. Maar niet veel mensen weten hoe het er van binnen aan toe gaat. Hoe het is om er te zitten, of om er te werken. Tijd om eens een kijkje in de gevangenis te nemen in de reeks Blik in de bajes.

‘Het is belangrijk hoe ze hun eigen toekomst zien en wat wij daarin kunnen betekenen’

VEENHUIZEN – Gevangenisstraf. Daar heeft iedereen wel een mening over. Te zwaar, te licht, onnodig of juist heel erg goed. Maar waar iedereen het over eens is, is dat het wel nuttig besteed moet worden. Alleen zitten en verder niet aan jezelf werken levert niets op, behalve een hogere recidive.

René Hut, woordvoerder bij Dienst Justitiële Inrichtingen, legt uit: ‘Detentie heeft twee doelen. Enerzijds iemand de straf laten uitzitten voor wat hij heeft gedaan en anderzijds de tijd die iemand in de gevangenis doorbrengt zo goed mogelijk te laten gebruiken, om te zorgen dat diegene er beter uitkomt dan dat hij binnenkwam.’
Voor het eerste doel wordt duidelijk gezorgd. Als het net zo ingewikkeld is om buiten te komen als het is om binnen te komen, dan moet dat geen probleem zijn. Identiteitscheck, een tassencheck en een mobiel mee naar binnen op aanvraag. Vervolgens door verschillende deuren met sloten en tralies die na opening onmiddellijk weer in het slot vallen naar de binnenplaats, die verrassend ruim en groen is. Grote bomen geven schaduw en zorgen voor een parkachtig gevoel. Een groepje mannen slentert kletsend over de binnenplaats. ‘Voor het tweede doel, iemands detentie zo goed mogelijk laten gebruiken, wordt door meerdere teams samengewerkt,’ vertelt René, terwijl hij voorop gaat door de doolhofachtige gangen en ruimtes van het oude gebouw. ‘Hierbij speelt de afdeling Detentie en Re-integratie een grote rol.’

Marten Antoons is plaatsvervangend hoofd van de afdeling Detentie en Re-integratie. ‘Let maar niet op de rommel,’ zegt hij, wijzend op een bureau dat overdekt ligt met papier. En dan grijnzend: ‘Het lijkt een chaos, maar ik weet alles te vinden.’
Marten begon zijn carrière in 1987 in Scheveningen, hij startte als piepjonge bewaarder in de zwaarste bajes. ‘Ze noemden me Bartje, omdat ik uit het hoge noorden kwam. Drenthe of Groningen was voor hen gewoon ‘Bartje’. Ik kreeg letterlijk een bos sleutels in de handen geduwd en mijn collega’s zeiden: gooi ze er maar uit. Het was de bedoeling dat ik 75 gedetineerden losliet. Ze kwamen meteen naar me toe. Dat was best intimiderend. Ze maakten een grap en ik wilde een grap terug maken, maar wist niet zeker hoe ver ik kon gaan. Ik maakte hem toch maar. Het was even heel stil en toen begonnen ze te lachen en me op de schouder te slaan. Het ijs was gebroken. Ik heb er vier jaar gewerkt. Ik vergeet nooit meer dat er een bewaarder bij was die tegen me zei: ‘Bartje, als je de kans krijgt om te leren of hogerop te komen, pak die kans dan aan. Blijf geen bewaarder.’ En dat deed ik. Ik deed verschillende opleidingen, waardoor ik altijd enthousiast ben gebleven over mijn werk.’

Het team van Detentie en Re-integratie kijkt naar wie de gedetineerde is, wat hij wil en wat de afdeling voor hem kan betekenen. ‘Dat betekent met de jongens in gesprek. Wat belangrijk is, is hoe ze hun eigen toekomst zien en wat wij daarin kunnen beteken. Daarbij wordt de verantwoordelijkheid zoveel mogelijk bij de gedetineerde zelf neergelegd. In hoeverre dat mogelijk is natuurlijk, want hier zitten toch ook een aantal licht verstandelijk beperkte mensen. Maar ook bij die mensen zoeken we uit wat hij kan. Kan hij lezen? Kan hij schrijven? En daarom gaan we met mensen in gesprek. En moeten we leren ook hun taal te spreken. We werken vaak samen met de reclassering en gemeente waar iemand vandaan komt en dus weer gaat wonen na detentie om informatie uit te wisselen en om allerlei praktische zaken te regelen.’
Bij een re-integratietraject horen dingen als een opleiding doen, maar soms ook eerst leren lezen en schrijven. Ook hoort er verlof bij. Waar vroeger de mensen na hun straf met een blauwe plastic zak met hun persoonlijke spullen zomaar buiten stonden, worden de mannen nu veel beter begeleid.
‘Moet je je eens voorstellen dat je alleen de strippenkaart kent en nu opeens op de bus moet stappen. Of dat je ergens moet betalen met je mobiel. De veranderingen zijn zo snel gegaan de laatste jaren, mensen moeten goed voorbereid worden op de buitenwereld. Dat doen we door ze bijvoorbeeld onder begeleiding naar buiten te laten gaan. En als dat goed gaat is onbegeleid verlof mogelijk. Dat verlof moet je natuurlijk wel verdienen en je moet ervoor in aanmerking komen. Verlof moet je ook niet meteen zien als een tijd naar huis mogen. Het moet van belang zijn voor de re-integratie, de terugkeer in de samenleving. Dat begint soms met in je eentje naar het gemeentehuis om je paspoort te verlengen.’

Een specifiek succesverhaal heeft Marten niet, maar het Pauperparadijsproject is wel iets waar hij met plezier aan terugdenkt. ‘Negen weken lang heeft een groep gedetineerden vijf dagen in de week als verkeersregelaars gewerkt. Als je met die jongens begint, zijn het allemaal individuen. Het is wat onwennig. En dan zie je die jongens groeien en een team worden. Als je mensen in hun kracht zet, dan groeien ze. Ze voelen zich nuttig, dat was fantastisch om te zien. Ook als ze eens een terugval hadden, werden ze er later toch weer bij betrokken. Er was echt een samenwerking. Verder zijn er gedetineerden die echt goed terecht gekomen zijn en met een baan de gevangenis uitgingen.’