Bolhoedenclub Tolbert loopt op de laatste benen

Vriendenvereniging verbindt Tolberters al zestig jaar uit angst elkaar te verliezen

TOLBERT – Wat doe je als je bang bent je vrienden uit het oog te verliezen? Je richt een vereniging op, maakt eenieder lid voor het leven en neemt in de statuten op dat je elkaar zult blijven zien. Dat is exact wat Roelf Groeneveld (81) samen met elf vrienden deed. Inmiddels is het alweer zestig jaar geleden dat de Bolhoedenclub Tolbert werd opgericht. De vereniging is uitgedund, tripjes worden steeds lastiger en het ledental slinkt. Maar de Bolhoedenclub bestaat nog steeds. Ook na zes decennia.

Op bezoek bij Groeneveld in Leek, pal tegenover het industriepark, liggen de boeken al klaar. Het zijn fotoboeken, maar ook boeken met daarin verslagen van vergaderingen, uitjes en nog meer dingen die de Bolhoedenclub ondernam. Van alles wat de club deed, is verslag gelegd. Zo kan het dat Roelf nog dagelijks kan genieten van alle gekkigheid die hij met de Bolhoedenclub beleefde.

De club werd opgericht door twaalf jongens, allen uit Tolbert. Zij zagen elkaar wekelijks bij het voetbalveld, muziekvereniging Woldhoorn en gingen tezamen op stap. Een hechte club jongens, allen in de leeftijd van rond de twintig jaar. ‘Onze band was heel bijzonder en dat wilden we zo houden’, blikt Roelf terug. ‘Ik kende het verhaal van mijn vader, die in de jaren ’30 van de vorige eeuw in Eindhoven werkte. Hij had er ook een hechte vriendengroep, maar zij waren elkaar uit het oog verloren. Die angst om elkaar te verliezen, is de reden geweest om de Bolhoedenclub op te richten.’

 De Bolhoed werd het symbool voor de club, die plotseling overal te zien waren met zo’n opvallende hoed. ‘We kregen er veel aandacht door. Door de jaren heen hebben we in heel wat kranten gestaan’, zegt Roelf. ‘Ook de Margriet en de Libelle haalden we. Heel bijzonder.’

Maar de jongemannen uit Tolbert wilden niet alleen een vriendenclub zijn. Ook de maatschappelijke betrokkenheid was groot. Zo haalden ze oud-papier op in een Opel Blitz, deden ze mee aan bijna alle evenementen en activiteiten,  en verdienden ze op andere manieren geld voor muziekvereniging Woldhoorn. ‘Wik heb een heel sterk verenigingsgevoel’, zegt Roelf. ‘Dus ik vond, en met mij anderen van de club, dat het geld wat binnenkwam tegen goede moest komen aan een vereniging. Dat werd Woldhoorn, de muziekvereniging waar velen van ons lid van waren.’

De Bolhoedenclub werd al gauw een begrip in Tolbert. Iedereen kende de vrolijke mannen die iedere activiteit van zich lieten horen en bovendien heel eenvoudig te herkennen waren. Niet alleen de bolhoed trok de aandacht, ook het gezang van de club. Zij zijn zelfs in het bezit van een eigen clublied, geschreven op de maat van een oude soldatenmars.

Onder de feesten waar de Bolhoedenclub aan deelnam, was er de 5 mei-viering, het 75-jarig bestaan van de Tolberter school en het 1000-jarig bestaan van het dorp Tolbert. ‘Voor dat feest, maakten wij een paradewagen. Het was een gigantische bolhoed. Onze vrouwen kwamen er achteraan in een boot, met daarop de tekst “wij zijn in de boot genomen”. Dat was een hele mooie dag.’

Leden van de Bolhoedenclub zijn levenslang lid, er waren wisselende bestuursleden en de leden worden verplicht de jaarlijkse ledenvergadering in Tolbert te bezoeken. Later kwamen er ook dames bij, die als vanzelfsprekend lid werden van de vereniging. Zij gingen ook mee op tripjes, al gaf dat zeker in de beginjaren nog wel eens problemen. ‘We gingen in Zeegse naar een woonboerderij, waar mannen en vrouwen apart moesten slapen’, herinnert Roelf zich. ‘Kun je het je voorstellen? Ik was al getrouwd en toch sliepen we apart!’

Het zijn dergelijke verhalen die de revue passeren aan de keukentafel in Leek. De verhalen zijn allemaal goed gedocumenteerd, opdat er geen anekdote verloren gaat. De foto’s van de begintijd zijn sprekend. Op een rij, keurig gekleed en met een bolhoed op het hoofd. Dat de Bolhoedenclub in Tolbert veel bekijks trok en eigenlijk bij iedereen bekend was, moge geen verrassing heten.

Ondertussen werd de groep groter. De vrouwen kwamen erbij, al geeft Roelf toe dat het niet tussen iedereen even goed boterde. ‘We waren vrijbuiters, levenslustig. En ja, we lustten ook graag een borreltje. De één was hier meer van gecharmeerd dan de ander. Maar zo gaat dat.’

Desondanks bleef de groep bij elkaar, door dik en dun. Jaarlijks was er een reisje, meestal per fiets. En eens in de vijf jaar gingen ze met de vrouwen een weekend weg. Er werden huisjes gehuurd en het werd vaak een dol weekend. Legendarisch is die keer dat de Bolhoedenclub op een versierde tractor naar Norg reed, om daar ranja uit een melkbus uit te delen aan de kinderen. Er ging een trompet en accordeon mee, en Norg werd getrakteerd op diverse liederen. Dergelijke verhalen zijn tekenend voor de club.

Verder was er nog de nieuwjaarsvisite die op toerbeurt bij iemand anders werd gehouden. Het geld wat binnenkwam, werd door één van de vrouwen beheerd. ‘Onze vrouwen hadden geen bestuursfuncties, maar deden wel de kascontrole’, legt Roelf uit. ‘Op vergaderingen lazen we verslagen van eerdere activiteiten voor. Zo vergaten we dat niet en lachten we heel wat af op zo’n avond.’

Steeds lastiger

Nog steeds houdt de Bolhoedenclub van tradities, maar daar komt steeds meer de klad in. Meerdere leden zijn al overleden en de gezondheid van de overige leden laat soms te wensen over. Hierdoor is er dit jaar geen activiteit georganiseerd en bleef het bij een etentje. ‘We houden van tradities, maar zijn simpelweg te oud om nog wat te organiseren’, zegt Roelf. ‘We willen nog wel van alles, maar het kan niet meer.’

Toch is de opzet van het geheel heel geslaagd, vindt Roelf. ‘We hebben altijd contact gehouden en dat was ook onze insteek. We dachten eerst dat twintig jaar al heel wat zou worden. Uiteindelijk bestaat onze club nu zestig jaar. Door de jaren heen hebben we fantastische dingen meegemaakt. Ik ben blij dat we het zo gedaan hebben. Dat we altijd bij elkaar zijn gebleven en contact hebben gehouden. Tegenwoordig zie je veel reünies, maar wij bleven elkaar gewoon zien. Een reünie is het nooit geweest. We hebben een mooie tijd gehad met elkaar.’

Kijkend naar de verslagen, de oude foto’s en de krantenknipsels, kan Roelf alleen maar glimlachen. Wat er straks met alle boeken gaat gebeuren? ‘Die komen bij Oudheidskamer Fredewalda te liggen’, zegt Roelf. ‘Daar is het straks in goede handen.’