Column Maria wijnands

Maria Wijnands-Hovingh runt samen met haar man en ouders de uitgeverij achter onder andere De Krant. Wekelijks schrijft zij een column in deze titel op de pagina ‘ Uit ’t hart’. Nu corona het land in zijn greep houdt, schrijft ze bijna dagelijks hoe zij werk en dochters combineert en hoe de angst voor corona de zorgen om haar bedrijf zich afwisselen. Van een zelfverkozen isolement tot de dilemma’s die we nu allemaal tegenkomen.

De zondagochtend voelt alles anders. Naar het zwembad om te oefenen voor het diploma – vaste prik de laatste weken voor manlief en oudste dochter – kan niet meer. Het zwembad is dicht en langzaam daalt het besef dat het afzwemmen ook van de baan is. De ochtend spenderen manlief en ik aan het uitzoeken van onze rechten en plichten als werkgever. We buigen ons over onderwerpen als goed werkgeverschap en instructierecht. Kunnen wij werknemers verplichten handen te wassen als ze weggeweest zijn, moeten ze werken als hun kinderen niet naar school kunnen en mogen ze in hun vrije tijd wél gewoon alles doen en laten waar ze zin in hebben?

Mijn ouders komen toch langs voor crisisoverleg, maar we vragen ons ook hardop af: kunnen wij nog wel bij elkaar zitten. Als ondernemer ben je gewend dat het personeel naar jou kijkt voor antwoorden en die moeten we toch samen zien te vinden. We besluiten dat we sowieso níet gaan stoppen. Als het hele land op slot gaat, zetten we onze kranten wel online; maar uitkomen gaan ze. Kwaliteit staat altijd hoog in het vaandel bij ons; onze kranten worden gelezen om de redactie waar wij altijd in blijven investeren. Juist in deze tijden is informatievoorziening belangrijk, dus gaan we laten zien waar we goed in zijn. Hoe dit alles financieel uitpakt, durven we niet uit te tekenen.

We maken een kladversie van een mail om ons personeel in te lichten hoe wij tegen de komende tijd aan kijken als de familie-app alweer begint te ratelen: de scholen bij mijn broer gaan dicht. En ja hoor, dan komt ook het bericht wat wij al vreesden. Ook wij gaan eraan. Ergens is er opluchting dat de kinderen niks kunnen oppikken, maar de angst voor wat dit zakelijk gaat doen, is groot. Mijn jongste dochters zitten in bad, mijn oudste speelt op haar kamer en manlief probeert op de zaak wat haperende techniek aan de praat te krijgen als zondagmiddag opeens de paniek toeslaat. Ik moet nog wat dingen aan de redactie meegeven, we moeten stipt om vijf uur voor die tv zitten, er moet eten op tafel: ik trek de dames zonder pardon uit bad, jas een mail eruit aan de redactie en kook in een recordtijd ons vaste zondaghap: cordon blue, spruiten en frietjes. We zitten net voor de tv te eten als de telefoon gaat. Mijn oma – 84 jaar – vraagt zich af hoe het met ons gaat. Het nieuws dat de scholen definitief gaan sluiten, heeft haar nog niet bereikt. Als je buiten de wereld met internet en app-contact staat, ben je nog echt afhankelijk van het nieuws op de tv en teletekst, zo blijkt.

De woorden van die zondag dringen goed binnen. En we zeggen: het is beter zo. ‘Gezelligheid en geluk zit in kleine dingen’ besluit mijn moeder deze dag in de familie-app en laten we dat maar voor ogen houden. We lichten ons personeel in over hoe wij tegen de komende drie weken aan kijken, vragen iedereen met klem te zorgen voor elkaars en eigen gezondheid en toch te knokken voor datgene wat we met elkaar doen. Ja, we verwachten iedereen toch weer gewoon op kantoor voor een nieuwe week.

En dan begint die nieuwe week. Erg vroeg overigens – al is dat op maandag, de deadline dag voor de Krant en de Streekkrant geen nieuws. Manlief verlaat al om vijf uur het huis, ik kruip om half zes achter de computer in pyjama – soms heeft thuiswerken echt zijn voordelen. In de drie uurtjes die volgen werk ik zoveel mogelijk weg en laat ik de kinderen even voor de tv ontbijten. Mijn jongste dochters bewijzen dat ze echt wel lief kunnen zijn door heerlijk samen te spelen tot ik klaar ben. Ik vertel ze dat ze niet naar school gaan. ‘De hele dag niet’, klinkt het hoopvol, waarop ik zeg: ‘heel lang niet’. ‘Joepieeee’, juichen ze in koor. Voor deze driejaren is het één groot feest. Ze vieren direct vakantie, verkleden zich in zomerkleren en lopen met zonnebrillen op door het huis. Ook mijn oudste dochter is nog content: ze mocht al niet naar school omdat ze hoest en nu is ze niet de enige die thuisblijft. Als meisje werd ook ik menigmaal kotsend weer van school gehaald omdat ik ab-so-luut heen wilde, dus ik begrijp haar gevoel maar al te goed. En het besef dat ook ik heel wat thuis zal moeten blijven, geeft mij datzelfde ‘rare gevoel in de buik’ dat zij ook beschrijft als ze wel naar school wil, maar niet kan of mag.

Op kantoor wisselt de sfeer van gespannen tot gedreven. Er is veel nieuws te brengen, veel werk te verzetten, maar iedereen heeft zijn eigen zorgen. Ik houd me vooral met boekhouding bezig en probeer ons op financieel gebied zo goed mogelijk te wapenen. Na een overleg met de redactie begin van de middag ga ik ook weer op huis aan. Als mijn moeder vertrekt, vraag ik me af wanneer we elkaar weer zien. Opnieuw waaien de kinderen en ik vooral uit. Mijn oudste dochter hoest nog steeds, dus kan niet met de buurtkinderen mee spelen. We vermaken ons prima met elkaar. Even een stuk wandelen, even checken hoe het met de oudste boom staat. ‘Die is niet ziek’, concluderen ze met zijn drieën, terwijl ze hem proberen te omarmen. Nu wij nog, schiet er door mijn hoofd. Bijna weer thuis zien we hoe de andere kinderen samen buiten bezig zijn. Dat ze niet mee kan spelen, is nu wel even heel erg hard voor mijn meisje. Ze is boos en verdrietig, haar zusjes zijn bozig en verveelt en ja, dan zijn drie weken nog erg lang. Als het daar al bij blijft.