Column Maria Wijnands

Deel 48 – vrijdag 18 mei

Schooldag drie van deze week; het ritme komt er lekker in. Opnieuw verloopt het ochtendprogramma prima; manlief en ik constateren dat we de kinderen wellicht toch niet extra vroeg uit bed hoeven te plukken. Voordeel is wel dat er tijd voor ze is om nog even om te rommelen en er sowieso een keertje extra thuis geplast kan worden. In de auto zie ik even een bleek en smal gezichtje in de achteruitkijkspiegel opdoemen, maar gelukkig: zodra we bij school zijn, wordt er gehuppeld en gelachen. Ik ben opgelucht dat ook dit keer mijn dames zonder tranen naar hun juf vertrekken.

Echt contact met de juf hebben we als ouders niet zo, dus dat voelt wel een beetje gek. De ouders blijven achter het hek, waardoor sommigen al opperen dat ze zich een halve crimineel voelen. Het ochtendpraatje van ‘mijn kind heeft er zin in/slechts geslapen etc’ blijft nu achterwege, maar de juffen hebben daar een goede oplossing voor. In deze tijd van digitale middelen besloten zij ons juist een schriftje te geven waarin wij boodschappen voor de juffen kunnen opschrijven. En niet zomaar een schriftje, maar zo’n prachtig dicteeschrift. Zo eentje met allemaal nette lijntjes. De laatste weken heb ik nog vol bewondering gekeken hoe oudste dochterlief hier keurig op schrijft. ‘Dat zou mama echt niet meer kunnen’, heb ik nog gezegd, maar het lijkt erop dat het wel zal moeten. In de jaren dat ik als journalist onderweg ben geweest, heb ik mezelf een zeer beroerd handschrift aangeleerd. Manlief verbaasd zich erover dat ik hier tevreden mee ben, maar het heeft een functie. Doordat het zo belabberd is wat ik op papier zet, lukt het een geïnterviewde niet meer mee te lezen met wat ik op schrijf. En niks ergerlijker dan continu tijdens een interview de opmerkingen: ‘Dat schrijf je toch niet op? Schrijf je dat zo op? Heb ik dat zo gezegd?’ Nou, wat ik op schrijf, dat weet inmiddels bijna niemand meer, zelfs ikzelf moet soms ernstige moeite doen om het te ontcijferen. Van het schriftje heb ik dus ook nog geen gebruik gemaakt.

Op naar het werk, waar me een dagje cijfers verwerken wacht. Er komt nog een onverwachte afspraak tussendoor, maar verder houd ik me vooral met administratieve zaken bezig. Niet per se een fijne bezigheid in deze tijd, want hoewel wij zijn blijven draaien en volop vertrouwen hebben in onszelf, maken we dat wel maar moeizaam te gelde. Je kunt je toch ook niet voorstellen dat er opeens niet meer een krant op de mat zou vallen. Wij bereiken met al onze titels zo’n 100.000 huishoudens en weten uit gedegen onderzoek dat onze titels een goede en solide achterban hebben. We scoorden in het laatste onderzoek nog boven de 80% aan mensen die onze kranten lezen en dat is hoog in het landschap van huis-aan-huiskranten. Iets om trots op te zijn en iets om op te bouwen, maar door de corona is het niet alleen maar meer van belang of je goed bent in wat je doet. De wereld staat op zijn kop, niks is meer gewoon en wanneer en óf dat nog weer komt, blijft heel spannend.

Tegen tweeën sluit ik alles af om naar school te vertrekken. Daar blijkt maar weer dat ik ook echt geen ruggengraat heb als het op mijn kinderen aan komt. Oudste dochterlief wil spelen; iets waar ik nog best wel even over twijfelde. Maar ik vind het ergens ook onzinnig van mezelf als ze de hele dag naast elkaar in de klas hebben gezeten, om dan toch te zeggen dat samen spelen een te groot risico is. En dus vertrekt mevrouw met een grote grijns met een klasgenootje mee naar huis.

De kleintjes gaan met mij mee. Ze hebben weer een leuke dag gehad, want ze hebben een ijsje gekregen op school. Een raketje, en of ik die ook direct even voor thuis kan kopen, want die ging er goed in. Mijn dames weten wel van orders geven. Ze zijn ook nog in het bos geweest, op zoek naar dieren. Eentje blijkt een mug te hebben gevonden, de ander was vooral druk met het feit dat ze moest plassen. Wellicht dat we toch het schriftje even moeten gaan benutten om juf te melden dat deze dame inderdaad heel wat keertjes moet plassen op een dag en bij mij al menigmaal in het bos heeft geplast. Beter dat dan een beetje in de broek, wat ze mij nu thuis wel meldt, maar juf niet had durven zeggen.

De dames zijn het uur wat volgt even niet aanspreekbaar want ze mogen zich even op de ipad uitleven. Daarna gaan we samen – ja, de dames helpen nog altijd zonder problemen mee – het konijnenhok verschonen. Ze leven zich nog even uit op de schommels en vertrekken daarna naar binnen om zich op de barbie’s te storten. Als beste vriendin belt, wil ik wel even rustig bijkletsen, maar lukt het me niet de konijnen weer in het hok te krijgen. Ze blijken snel en nog ietwat schichtig en na een kwartier geef ik het op. Wil ik net alsnog rustig met beste vriendin bellen, komt manlief alweer tussendoor. Die is oudste dochterlief aan het halen, maar is volledig in de war met de straten. In plaats van naar de westelijke variant van de straat, gaat hij eerst naar oost en dan nog naar noord. En in plaats van nummer 98 staat hij tweemaal bij een nummer 90 aan te bellen. Iets met chaos. Eindelijk heb ik dan beste vriendin weer aan de lijn als ik boven noodkreten hoor. Er staat iemand met een bloedneus bovenaan de trap, een ander staat er schuldbewust naast. Ik geef het op, laat beste vriendin weten dat ik later in het weekend wel bel en ga eerst maar eens de bloedneus redden. Wat blijkt: de indianenbijl die ik ooit voor oudste dochterlief kocht bij haar indiananverkleedpak en waar ik destijds wel over twijfelde hoe pedagogisch verantwoord dat was; díe heeft de ene richting de andere geslingerd. Soms liggen haat en liefde erg dicht bij elkaar. De bijl gaat de prullenbak in, het stoute meisje mag even op haar kamer haar zonde overdenken. Alhoewel het bloed voorlopig genoeg is om haar te genezen van kattenkwaad denk ik.