Column Maria Wijnands

Deel 5

Het was te verwachten: de klad komt er wat in. Hoewel we niks hebben om heen te gaan, voel ik me opgejaagder dan ooit. Het valt me deze dag heel, heel zwaar om geduld op te brengen voor het trage aankleden van de kinderen en de korte spanningsboog die driejarigen nou eenmaal hebben. In mijn hoofd verdringen zorgen om het bedrijf, vragen over dit virus en het gepuzzel om enig tijd te vinden voor werk, alle ruimte voor de kinderen. Tandenbijtend zet ik de jongsten achter een grootverpakking nieuwe klei – gelukkig had ik deze net nog vorige week aangeschaft. Op You-Tube vind ik iemand – een volwassen man! Waarom kleien volwassen mannen? – die letters maakt van klei en dat houdt ze wel bezig. Oudste dochterlief doet ondertussen schoolwerk op mijn computer. Ik win wat ruimte voor mezelf, maar loop tegen een volgend knelpunt: de computer is dus bezet en die is essentieel voor mijn eigen werk.


Gisteravond belde ik nog even met mijn oma, want oudere mensen zitten zeker veel meer in een isolement. Ook mijn oma besloot geen bezoek meer te willen ontvangen en zelfs als mijn oom boodschappen komt brengen, mag hij deze voor de deur achterlaten. Uit het feit dat het gesprek al snel afgekapt wordt, omdat haar favoriete tv-programma staat te beginnen, maak ik op dat ze zich nog prima redt. Ook zij heeft overigens al de eerste #coronahulp van dichtbij mogen aanschouwen. Een buurjongen werkt bij de supermarkt en liet middels een briefje in de bus weten dat hij prima boodschappen kan meenemen. Zelf kreeg ik ook al een berichtje van een buurmeisje dat ik wel een beroep op haar mag doen voor oppas. ‘De goeden komen bovendrijven’ concludeert oma voor ze ophangt en daar moeten we ons maar aan vastklampen.

In mijn eigen huishouden komt deze dag niks goeds meer bovendrijven. Zelf raak ik de stress niet kwijt en de drie sponsjes om mij heen voelen dat haarfijn aan. Met moeite weet ik een kort momentje te creëren om te proberen openstaande facturen te innen. Juist nu is het belangrijker dan ooit dat betalingen blijven doorgaan. Een constante strijd is het, deze telefoontjes. Normaal noem ik dit mijn hobby; vandaag kan ik er niet van genieten. Het valt me zwaar mensen niet gewoon ‘BETALEN!’ voor de voeten te gooien.

Zelfs in de buitenlucht kunnen de dames en ik onze draai niet vinden. Ik ben gek op mijn kinderen en bewust altijd veel bij ze thuis geweest. Nog precies een maand en dan worden de jongste twee ook vier en dat voelde de laatste tijd echt binnen handbereik. Het is mooi om veel tijd aan je kinderen te spenderen, maar het lijkt me ook heerlijk om structureel meer tijd aan mijn werk te besteden en iets meer ‘lucht’ te krijgen. Ergens lijkt deze fase van ‘thuis-isolement’ wel wat op de baby-tijd van mijn jongste dochters. Zij kwamen vijf weken te vroeg en na twee weken in het ziekenhuis, brak er eenmaal thuis met twee baby’s die te licht en te jong waren en een peuter, een hele pittige tijd aan. De eerste weken spendeerde ik destijds volledig in mijn bubbel bij huis. Oudste dochterlief werd door anderen gehaald en gebracht naar de peuterspeelzaal, werken kon ik thuis en verder deed ik niks anders dan voeden, luiers verschonen, de peuter bezig houden, boeren kloppen – die twee konden me toch boeren, echt oneindig – en hopen dat ze sliepen als dat uitkwam. Wonderlijk genoeg vond ik het toen allemaal helemaal prima. Nu we weer aan huis gekluisterd zitten, valt het toch wel tegen.

Ik besluit een beproefde methode uit die tijd in te zetten. Als het destijds écht even genoeg was, tapte ik een kop thee, zette de kinderen voor de tv of achter iets anders in de woonkamer en zocht even een klein momentje van rust. Al zat ik maar even op de trap met die kop thee; soms moet je even een moment zonder geluid van anderen kunnen doorbrengen. Vandaag laat ik de thee voor wat het is en stort me op de hogedrukspuit. Ideaal, want het terras roept al jaren om verlossing en door het geluid wat het apparaat produceert, hoor ik even niks van mijn kroost.

Als ik er weer tegen kan, moet ik nog een belofte inlossen. Oudste dochterlief wil graag gymles. Dus wat doet deze ‘juf mama’? Een gymles in elkaar draaien. Ze lopen warm in colonne door tuin, gooien de bal over, voetballen dat het een lieve lust – en juichen heel hard als ze scoren – en proberen tennisballen in emmers te gooien. Nog een potje staarttikkertje erachteraan en een evenwichtsparcours en tevree kunnen we de middag afronden. Oudste dochterlief kruipt nog even achter de computer: juf moet ook vandaag gemaild worden. Nadat ze gisteren al een spatie, enter en backspace leerde, voegt ze nu het uitroepteken aan haar repertoire toe: ‘juf het was heel leuk vandaag!!!’

’s Avonds zien manlief en ik op tv een slager vertellen over hoe ze de zaak draaiend houden. ‘Moet je kijken hoe dicht op het vlees die mensen staan’, vindt hij, waarop ik opmerk: ‘maar als het goed is, lopen mensen met wat voor klachten dan ook, daar niet meer rond. Toch?’ Het blijft een vreemd fenomeen, dit virus. Want: voor groeps-immuniteit moeten de ‘gezonde’ mensen toch besmet raken, dus betekent dat dat wij tweeën bijvoorbeeld sowieso nog ziek moeten worden? En wanneer hebben wij het dan gehad als we een milde variant meepikken? We zoeken naar symptomen en antwoorden, maar niks is echt bevredigend.