Column Maria Wijnands

Deel 6

Inmiddels is het vrijdag en er kan een knop om. Vandaag heb ik een belangrijke afspraak met onze accountant, dus manlief komt naar huis en ik ga naar kantoor. De kinderen krijgen van mij twee opdrachtjes voor de kiezen en mogen daarna verven, dus voorlopig zijn die wel zoet. Als ik in de auto wegrijd, moet ik even aan de zomervakantie denken die zo langzaamaan wel op losse schroeven komt te staan. Onze strandbedjes in Italië zijn zoals elk jaar alweer sinds december geboekt, maar ik begin te vrezen dat we dit jaar het zand niet tussen onze tenen gaan voelen.

Op het werk zijn er genoeg andere zaken. De overheid spreekt mooi over een economie die wel een stootje kan hebben, maar laten we wel wezen: de crisis is nog maar net aan het herstellen. De tik die deze tijd gaat geven, kan voor velen juist nu desastreus zijn. Ook voor ons zijn het spannende tijden. Gelukkig lagen er deze afgelopen week drie prima titels, maar of ons dat nog een week gaat lukken of zelfs daarna is een grote vraag. We moeten de schouders eronder blijven zetten, maar ik merk wel dat dat voor de één makkelijker is dan voor de ander. Want sommigen zijn bang om ziek te worden, anderen zitten met problemen rond de opvang van thuiszittende kinderen.

Met onze accountant neem ik opties door en voor ik het weet zit ik diep verzonken in cijfers en prognoses. Als ik antwoorden zoek bij de bank kom ik niet verder dan ‘ik heb zeker 40 à 50 aanvragen’ dus stuur maar wat in en dan zie ik wel. Heel bemoedigend is het steunbeleid voor ondernemers nog niet. Maar goed: ik heb geleerd het op eigen kracht te rooien, dus blijf maar van het beste scenario uitgaan en blijf hopen dat we na 6 april weer redelijk over gaan tot de orde van de dag.

Eenmaal thuis moet iedereen even ‘met zijn kont bovenop’ me zitten, zoals ik het verschijnsel noem dat als ik weg ben geweest, ze allemaal even aandacht zoeken. Middelste dochter Georgia is een opkropper en haar spanning komt eruit als ze uit het niets de auto van haar grote zus kapot gooit. De tranen van die laatste weet ik snel te stillen door uit te leggen dat ook Georgia nu eigenlijk heel verdrietig is en alleen maar een hele slechte manier heeft gevonden om dat duidelijk te maken. Met zijn drieën knuffelen we alles weg en daar is gelukkig buurman Jan paraat voor de perfecte afleiding. Hij heeft heel wat kruiwagens zand te verslepen, dus drie paar extra handjes van mijn meisjes komen goed uit.

De dag die volgt is een hele aparte. De eerste dag van de lente, dus dat betekent mijn verjaardag. ‘Ik kan nog makkelijk verdubbelen’, lach ik als een boer met kiespijn de hele dag. Maar, eerlijk gezegd: dat moet met mijn 36 jaar toch zeker gaan lukken. De beelden van de Italiaanse IC blijven ergens op de achtergrond als een grote waarschuwing in mijn hoofd spoken. De grote vraag van vandaag is dus niet welk taartje we het eerst opeten, maar komen mijn ouders wél of niet op bezoek. Mijn moeder die gisteren nog meende dat we toch écht niet alles maar moeten laten – met haar longproblemen écht wel -, wil uiteraard sowieso komen. Manlief en ik twijfelen sterk nu het lijkt dat de kleintjes de verkoudheid van hun grote zus nog even overnemen. Uiteindelijk zitten we toch met zijn allen achter het gebak. Het voelt wel heel fijn even weer bij elkaar te zijn. Normaal zien we elkaar zo goed als elke dag en de afstand van de laatste dagen is vreemd en niet bevredigend.

Wonderlijk genoeg voel ik me jarig genoeg. De cadeautjes van mijn meisjes en manlief zijn precies waar ik blij van wordt, ik trek toch mijn mooie kleren aan en er zijn heel wat mensen die aan me denken. Vanuit Epe komt er chocola, mijn schoonfamilie hangt een lekker geurtje in een tas aan de deur. ‘De zon schijnt voor jou’ stuurt een collega en laten we het daar maar mooi op houden.

Ik vraag me ergens ook af of dit nou ‘pay-back’ van de natuur is. Zoals ik altijd al grapte: als het redden van de wereld van ons moet afhangen, gaat niet lukken. Het scheiden van afval doen we wél, maar fanatiek mogen we ons niet noemen. En de auto laten staan? Met twee dames die nog niet kunnen fietsen, een woonplaats op zeker vijftien minuten fietsen van alles wat we moeten en een mama die het doodeng vindt te fietsen met kinderen achterop, staat mijn auto niet vaak stil. Ook ik zette drie kinderen op de wereld en hielp de wereldbevolking groter en groter te worden. En vraag ik me wel eens vaker hardop af: we kúnnen heel veel levens redden tegenwoordig, maar is dat wel de bedoeling. Als het om je eigen geliefden gaat, wil je áltijd dat men alles in het werk stelt om deze van de dood te redden, maar ik geloof ergens ook wel in een soort van lot en pad in het leven en wat betekent het dat we daar altijd maar weer zo keihard in ingrijpen. We houden mensen in leven die volgens de wetten van de natuur er niet meer zouden zijn. Is deze crisis dan dé manier van de natuur om alsnog in te grijpen? Het doet me denken aan de storm die begin dit jaar woedde. Dochterlief vond het zo zielig voor alle bomen die om lagen. Ik vertelde haar rustig en kalm dat de bomen die omvallen degene zijn die al ziek en zwak waren. De storm zorgde ervoor dat zij plaats konden maken voor nieuwe en sterke varianten, maakte ruimte om de natuur weer gezond te maken. We hoefden niet verdrietig te zijn: de omgevallen bomen hadden hun taak erop zitten en zij hadden mooie jaren achter de rug.