Column Maria wijnands

Deel 7

Met de maandag breekt er een nieuwe week aan en lijkt het isolement en het thuisblijven al een stuk normaler dan precies zeven dagen terug. Omdat het maandag is, betekent dat voor ons: deadlinedag. De wakker gaat vroeg, heel vroeg, helaas. Wij en iedereen die bij ons werkt, heeft last van een vreemd ritme. De Krant en de Streekkrant komen uit op dinsdag, dus dat betekent op maandag een lange dag om te zorgen dat alles bij de drukker komt. De rek zit hem in de ochtend, want ’s avonds hebben we een vast plekje op de pers. Manlief vergelijkt het altijd met een vliegreis: ben je daar niet op tijd, dan vertrekt het vliegtuig zonder je. Zijn onze kranten niet op tijd bij de drukker, dan gaan we resoluut aan de kant voor de dagbladen die er ook gedrukt worden. Een uurtje vertraging aan het begin van de lijn, betekent zomaar uren aan het eind. Want na het drukken, gaat het hele spul de vrachtwagens in, naar de verspreider, die weer overlaadt op de routes en distributiepunten weer voorziet. Dan is het aan de bezorgers – hulde voor diegenen die ook nu weer trouw en op tijd de kranten in de bus stoppen – en kunnen ze thuis verslonden worden.

Maar goed, terug naar dat ritme. Die maandag dus, is voor ons vroeg beginnen en door tot alles op tijd weg is. De dinsdag moet de Krant van Tynaarlo nog eens klaar, maar is voor de andere titels weer een opstartdag. Hoe verder de week weer vordert, hoe dichterbij die deadline komt en hoe drukker we het allemaal weer hebben. Het vroege opstaan op maandag is een gewoonte die je niet altijd moeiteloos aanleert, maar wel eentje die erg lastig vérleert. Na de geboorte van mijn oudste dochter, inmiddels meer dan zes jaar geleden, bleef ik jaren trouw aan die vroege start op de maandag. Het lukte me simpelweg niet meer anders. Pas sinds een half jaartje ongeveer heb ik het losgelaten. Ik zorg dat al mijn werk wat noodzakelijk is voor de kranten op tijd weg is en de maandagochtenden stonden in het teken van de kinderen de deur uit krijgen. Nu zij  niks meer hebben om heen te gaan en ik met moeite mijn werkuurtjes bij elkaar sprokkel, zit de winst opeens weer in die vreselijke maandagochtend. Om vijf uur maakt manlief me wakker met de woorden: ‘ja, dit is echt heel erg balen’ en hij vertrekt naar kantoor. Ik rol het bed uit en druk de computer aan.

Hoe deze crisis gaat uitpakken voor ons bedrijf is onmogelijk in te schatten. Dat alle maatregelen nodig zijn voor de gezondheid, begrijp ik heel goed. Maar ze komen zeker zakelijk gezien niet op een fijn moment. Wij hebben een aantal pittige jaren al achter de rug, maar maakten juist dit jaar een hele goede start. Januari en februari zijn nog altijd geen vette maanden, maar normaal gesproken volgen dan maart, april, mei en juni om geld te verdienen. En daar lijkt nu een dikke streep doorheen te gaan. Voor de zekerheid verdiepen wij ons in alle hulp-regelingen die beschikbaar zijn en dat betekent cijfers pluizen, tabellen maken en prognoses op papier zetten. Het kost veel tijd, dus ik probeer momentjes te winnen door de dames eerst in bad te zetten met hun barbies en vervolgens voor een peuterdansles van een uur. Helaas kwakkelt iedereen wat met een hardnekkige verkoudheid en de gedroomde zestig minuten doorwerken, worden er twintig, waarna het gezucht en gesteun begint en ik uiteindelijk zelf de laatste dertig minuten mee kan dansen. Ze hebben in elk geval beweging gehad vandaag, troost ik me.

Tussendoor ruilen manlief en ik van plek. Hij heeft geluk: de dames verliezen zich in vadertje en moedertje en hij kan zo de laptop weer aanzetten. Ik meld me voor redactie-overleg en dit keer wel een hele moderne variant. Eén van onze redacteuren zit al een aantal dagen thuis met een fikse verkoudheid en die vergadert nu vrolijk mee vanaf een beeldverbinding op de telefoon. Dit wekelijkse momentje van overleg is een verplichting voor alle redacteuren om even concreet contact met elkaar te hebben en de agenda’s open te gooien. Ideeën voor items worden uitgewisseld en planningen doorgenomen. Voorlopig lijkt het, is er nog genoeg om over te schrijven.

Tegen vijf uur lukt het mij uiteindelijk alweer thuis, om de bank te verblijden met mijn talloze cijfers. Het nieuws van de geplande persconferentie is eigenlijk amper binnen gedrongen. De boodschap die er om zeven uur gebracht wordt, is misschien geen lockdown, maar ik word er niks vrolijker van. Ik denk aan ál die mensen die dit weekend elkaar opzochten, in de rij stonden voor een bouwmarkt (!) of zichzelf voor de gek hielden in het park of bos. Dát is toch zeker niet de bedoeling geweest? Daarom ben ik niet toch alweer meer dan een week bij huis, los van de noodzakelijke bezoekjes aan kantoor? Verbijsterend vond ik het te zien en ja, het is dus logisch dat de maatregelen worden aangescherpt. Maar ik ben oprecht zuur, gefrustreerd en boos, want alle hoop dat we na drie strikte weken resultaat gaan zien en wellicht ietsjes over naar ‘normaal’ kunnen, is wel vervlogen. Eén juni echter, is nog heel, heel ver weg.

Hoe gaan winkels dit overleven? Hoe gaan wij dit in goede banen leiden? We hebben geknokt de laatste jaren en heel, heel hard gewerkt. We hebben echt de meest uiteenlopende zaken voor onze kiezen gehad: zorgen om personeel, titels die uit de markt moesten worden gehaald, nieuwe omzetten aanboren. We zijn nog maar jong en hebben heel veel moeten leren. Gelukkig werkt mijn vader nog mee, maar langzaamaan zoeken manlief en ik ook onze eigen draai en het blijkt bij tijden lastig ook het respect te ontvangen. Er zijn ontzettend veel beslissingen te nemen, vragen te beantwoorden en gesprekken te voeren. We houden in de gaten of iedereen doet wat hoort, proberen inspiratie te vinden om te vernieuwen en hebben ook gewoon ons eigen werk. Soms wordt het niet begrepen hoeveel wij voor ons bedrijf laten. Maar die keuze is niet altijd helemaal aan ons. We doen het niet alleen om het zelf goed te hebben, maar voelen ons ook heel verantwoordelijk voor ons personeel; vijftien man sterk. Want zo blijft het: samen zijn we sterk.

Deze boodschap van striktere maatregels en vooral die genoemde 1 juni maken me opstandig. Mijn ouders bellen me om en om en blijven me voorhouden: het is veel beter dan een lockdown, waarin onze kranten zeker niet meer fysiek uit kunnen komen. We kunnen nu door en móeten er het beste van maken. Ik blijf balen dat het in elk geval zeker weten ook dit jaar geen makkelijke strijd wordt, terwijl we zo hard gewerkt hebben om die eerste twee maanden goed neer te zetten. De zeven magere jaren hebben wij straks wel achter de rug, schat ik zo. Kom maar op die zeven vette.