Column Maria Wijnands-Hovingh

Deel 18 – dinsdag en woensdag 7 april

Ik signaleer een nieuw fenomeen voor de deur: speeltuintoerisme. In ons dorp ligt een groot speelveld met een simpel speeltuintje en die blijkt tegenwoordig nogal in trek. Auto’s stoppen er de hele dag door om even de kinderen zich te laten uitrazen en er is zelfs een gezin die meerdere keren in de week compleet met zandbakschelp hun intrek neemt in ons dorp en urenlang zich op het veld vermaakt. Zelf houden we ons nog altijd verre van de speeltuin. Het scheelt daarbij wel dat onze eigen tuin ook een halve speeltuin is en het de kinderen met een trampoline, zandbak en schommel aan weinig ontbreekt. Nu de zon ook uitbundig schijnt en de temperatuur goed is, hoor ik de kinderen ook niet meer klagen over hun eigen plekje achter het huis.

We starten eerst weer op met wat schoolwerk. Ik leer oudste dochterlief om optelsommen te maken door twee getallen boven elkaar te zetten en vindt dat ik als juf vandaag wel een schouderklopje verdien. Zij verbaasd zich hoe simpel zo’n lastig uitziende som opeens op te lossen is en met plezier maken we pagina’s vol. Mijn kleine meisjes geloven het allemaal wel en spelen ondertussen vals met hun eigen opdrachtjes. Omdat het gezelliger is en beter voor de rust in huis moeten ook zij van mij achter een werkboekje zitten deze ochtend, maar ik zie dat ze halve bladzijden ook wel genoeg vinden. Afleiding in de vorm van een kat die even languit over al het werk heen schuift, wordt dankbaar aanvaard.

Manlief komt tussendoor met de luizenzak van oudste dochterlief binnenvallen. Het lijkt wel de zak van Sinterklaas zoals het ding onthaalt wordt. Erin zitten haar schoolboeken en elk boek wordt met gejuich eruit getrokken. ‘Dank je, dank je juf!’ roept ze. Haar zusjes snappen er niks meer van. ‘Heeft papa zoveel cadeautjes gekocht?’ vragen ze vertwijfeld. Maar nee, hun grote zus is oprecht dolblij dat ze vanaf morgen weer ‘gewoon’ schoolwerk kan doen.

We gooien er nog maar even een dansles voor de tv tegenaan en vermaken ons de middag lekker buiten. Er zijn nog wat zaadjes te poten dus ze wroeten allemaal lekker in potten met aarde. Gisteren ontving ik een wonderlijk bericht via de groepsapp van school waarin ik direct werd toegesproken door de zonnebloemen die klaarblijkelijk al lang had moeten opkweken. ‘Ik ben al aardig gegroeid’ meldt de bloem zich op mijn telefoon, maar dat is bij ons niet bepaald het geval. Volgens deze zonnebloem is niets verplicht, maar zelfs al is het een denkbeeldige zonnebloem die zich meldt, ik voel me toch altijd een beetje opgejut door dit soort berichten. En dus hebben mijn dochters vanaf nu een nieuw klusje erbij: hun zonnebloemen elke dag water geven.

Het begint al te wennen: dinsdagavond is persconferentie-avond. Het is nog even aanpoten om op tijd op de bank te zitten, want nu er geen reden is om vroeg op te staan, gaat alles wat gemakkelijker en eten we ook steeds een beetje later. Uiteindelijk schuiven we stipt om zeven uur voor de tv om opnieuw te vernemen dat ‘normaal’ nog lang niet aan de orde is. Voor onze kinderen ligt het anders. Dit nieuwe leven is meer dan normaal geworden. Niet voor het eerst deze week horen we dat het de leukste dag ooit was, voor ze in slaap vallen.

De woensdag breekt aan en ja hoor: de dametjes beginnen weer met een warm bad. Ditmaal gaan we badderen ‘next level’: om en om gaan ze een poosje alleen de bubbels in. Zij blij, dus ik blij. En wat scheelt deze ochtend: ik weet al dat ik eind van de ochtend richting kantoor vertrek dus ik heb even geen werkstress. Helemaal stressvrij verloopt deze ochtend toch niet. Als we rond half tien ook nog wat aan school willen doen, laat ik me opjutten door de groepsapp van school. Ik zie dat de fanatiekelingen foto’s delen van hoe hun kinderen hard aan het werk zijn en als ik de boel hier amper aan de praat krijg, sla ik van de spanning alweer vast in mijn nek. Uiteindelijk zet ik oudste dochterlief achter een soort dictee op film waar ze fanatiek mee aan de slag gaat. Als het klaar is, vraagt ze bedenkelijk: ‘mama, weet je wel dat dit werk van twee dagen geleden is?’. Ja, dat zie ik, maar dat werk van vandaag daar kom ik niet uit. Juf heeft een mooi – en overigens duidelijk – schema gemaakt, daar ligt het niet aan, maar de boeken waar ze nu in hoort te werken, daar waren er niet genoeg van en die hebben wij dus niet. En ik zie nog een manco in het schema: er zitten vrije dagen in. Maar na drie weken rustig aan te hebben gedaan, staat mijn dochter te trappelen om lekker bezig te gaan. Aangezien wij ook geen vrij hebben, maar juist harder moeten werken dan ooit, lijkt het me niet handig straks de twee weken meivakantie haar compleet vrijaf te geven. Dus sorry juf, maar ik moet toch weer even mailen om te overleggen wat we kunnen blijven doen zonder de hele planning overhoop te halen.

In de groepsapp van haar schoolklas gaat het ondertussen lekker door. Er is discussie over de noodopvang, want het valt ouders op dat er helemaal niks wordt ondernomen met de kinderen. Ze spelen buiten en mogen op de ipad filmpjes kijken op youtube en dan duurt de dag wel lang. De ouders verwachten geen complete lesprogramma’s, maar vragen zich wel af of de juffen – die in blokken van twee uur met twee man elkaar afwisselen – niet ietsjes meer kunnen ondernemen met de kinderen. Uiteraard buitelen de meningen over elkaar in de appgroep. Ja, we zijn allemaal blij met alles wat we aangereikt krijgen van school en beseffen ons dat dit voor juffen en meesters echt geen vakantie is. En, zo vindt iemand, het is noodopvang, geen school en op de bso doen ze toch ook geen schoolwerk? Een goed punt, ware het niet dat de discussie echt doodvalt met de opmerking: op de bso zitten de kinderen ook niet de hele dag achter youtube. Meer dan ooit besef ik me dat ik in elk geval niet geschikt ben voor het onderwijs.

Na een middagje op kantoor tref ik manlief buiten adem op het bankje voor het huis aan – hij blijkt net te hebben geoefend op het fietsen zonder zijwieltjes met de jongste dames en rent dan het hele stuk mee. De meisjes zijn blij en ontspannen en ik kan zowaar even een half uurtje de zon in. Het is echt een app-dag, want ditmaal bliept mijn telefoon van de berichtjes met oud-collega Johannes uit Hilversum. Hij heeft het drukker dan ooit, want een broer van een collega is zojuist overleden aan corona. Ik schrik van zijn verhalen: aan de overkant van de straat al dertig besmettingen, een achterbuurman van in de 50 overleden en een vriend van 24 die iets verderop woont ligt al aan het zuurstof. Hij zit al weken opgesloten in zijn appartement en doet alleen nog na 21.00 uur boodschappen in de supermarkt. Een schril contrast met hoe ik erbij zit, lekker in de zon met de kinderen die om het huis heen fietsen en steppen. Manlief die gewoon naar kantoor is en mijn moeder die hier nog kan oppassen. Hier weten we half niet hoe erg het allemaal echt is.