Column Maria Wijnands-Hovingh

Deel 29 – donderdag 23 april

Als de dames uit bed rollen, zit ik nog driftig te typen. Om tijd te winnen en de rust te bewaren vandaag, ben ik vandaag vroeg begonnen. Mijn meisjes weten al hoe het werkt inmiddels; als mama druk op dat toetsenbord aan het rammen is, kun je haar beter even laten. Ze pakken stilletjes een krukje en schuiven naast me achter mijn bureau. En zo rond ik de laatste woorden voor de dag af met twee kleine meisjes naast me. Eerst maar eens een dikke knuffel als ik klaar ben, zo is thuiswerken best wel leuk. Het blijkt dat ook deze kleine tantes genoeg meekrijgen van de situatie waar we in zitten. Ze besluiten een tekening te maken voor hun favoriete tante, maar als de één verkondigt dat ze deze dan wel langs wil brengen, wordt ze door de ander berispt. ‘Dat kan niet, het is corona’, laat deze duidelijk weten.

Het is duidelijk niet onze ochtend. We zijn allemaal moe en hebben weinig zin om van alles te ondernemen. De dametjes beginnen de dag eens lekker achter de tv en eten zelfs hun ontbijtje even zo. In alle rust kleden ze zich aan en rommelen wat om. Met de kleintjes knutsel ik nog wat van de verjaardagscadeaus in elkaar, oudste dochterlief heeft geen zin in schoolwerk. Ik begrijp het wel, er zit weinig variatie in het werk en ook bij mij is de rek wel uit deze situatie. Ze stort zich liever even op Engels en dat is ook nuttig genoeg. Ik laat haar lekker begaan, morgen pakken we het schoolwerk van vandaag wel weer erbij. Ze heeft nog wel een afspraak om te videobellen staan met juf en een deel van haar klas waar we niet onderuit komen. Maar ook daar kan ze niet echt warm voor lopen. ‘Ik heb juf niks meer te vertellen’, concludeert ze en ze heeft wel een beetje gelijk. We vermaken ons prima, maar na zes weken bij huis zijn de uitschieters wel geweest. We knutselen, we tekenen, we doen ons schoolwerk, kijken films en spelen heel veel buiten. Veel meer kunnen we er niet van maken. Het rondje videobellen wordt een snelle. Op een keukenbrandje bij één van de klasgenootjes na, lijkt er overal hetzelfde als bij ons te spelen. De kinderen doen hun ding, ze vermaken zich en redden zich goed met schoolwerk. En dat is het wel.

Wij rommelen de ochtend lekker door en dan zwaaien we één van de dames uit. Oma haalt om en om op de donderdagen iemand op, zodat die even alle aandacht alleen kan krijgen en de dynamiek hier ook even veranderd. Het blijkt telkens weer dat twee dames het samen beter kunnen vinden dan drie. En ja hoor, ook nu is de sfeer opperbest. Hard zwaaiend vertrekt ons tweelingmeisje, zich totaal niet druk makend om haar zusje die achterblijft. Deze moet er wel even aan wennen. Driemaal vraagt ze in het eerste uurtje verschrikt: ‘waar is Georgia’, maar dan vermaakt ze zich opperbest met grote zus en is haar tweelingmaatje naar de achtergrond verdrongen. De twee overgebleven dames spelen samen circus op de trampoline waarbij de ene als een heuse circuskat hard mauwend door een hoepel kruipt. Zelf vinden ze het hilarisch en ook ik moet er hard om lachen.

We besluiten eens lekker de fiets te pakken. Normaal een onmogelijke missie aangezien ik het doodeng vind met een kind achterop, laat staan met eentje voor- en eentje achterop, rond te fietsen. Nu hijs ik mijn dunne vierjarige mooi voorin het zitje en laten we de spillebeentjes lekker door de lucht zwieren. Oudste dochterlief lijkt wel zo’n koe die voor het eerst de wei in mag na een lange winter. Ze fietst als een malle, gaat hard en staat bij tijden op de trappers. Onder haar hartjeszonnebril zien we de hele weg een grote glimlach om haar lippen. We besluiten naar de zaak te fietsen, waar ze niet naar binnen mogen van mij. Gisteren nog smeekte oudste dochterlief haar vader om haar weer eens mee te nemen naar het werk. Onze kinderen zijn allemaal niet anders gewend dan regelmatig mee te gaan naar ons kantoor. Allemaal noemden ze dit pand toen ze klein waren ‘papa’s huis’. We hebben er speelgoed voor ze en ze zijn er kind aan huis. Helemaal onze telefoniste heeft een speciaal plekje in hun hart. Ik vertel de dames op de fiets dan ook dat ze wel kunnen zwaaien naar haar, maar niet dichtbij mogen komen. Een boodschap tegen dovemansoren uiteraard, want we zijn nog niet aangekomen of ze vliegen haar al om de hals. Gelukkig weten we van elkaar dat we uiterst voorzichtig zijn geweest de laatste weken en we moeten er vooral hard om lachen met elkaar. Op de terugweg oppert dochterlief dat we ook nog wel even een boodschapje kunnen doen. ‘We zijn vlakbij de supermarkt hoor’, vertelt ze me, ‘en ik vind boodschappen doen zo leuk’. Blijkbaar is corona even heel ver weg nu we zo heerlijk bij huis weg zijn en weer een stukje ‘normaal’ leven mochten aantikken. Haar kleine zusje prikt de coronavrije bubbel waar we even in lijken te verkeren nuchter weer door. ‘We mogen niet naar de supermarkt, het is corona’, meldt ze nuchter. In de mineur gaan we allerminst. We komen een mevrouw tegen met een hond in de mand voorop en dan blijkt de wereld toch wel weer fantastisch te zijn. Oudste dochterlief waant zich Mega Mindy als ze in snel tempo verder fietst, mijn kleine dame voorop fantaseert de rest van de weg over een hondje voor haarzelf.

Er is genoeg om van te dromen die avond. Drie tevreden en vermoeide meisjes kruipen in hun bedjes. De kusjes zijn dikker dan ooit, de knuffels steviger. We hebben weer een dag erop zitten en het was weer een mooie.