Column Maria Wijnands-Hovingh

Deel 34 – donderdag 30 april

Inmiddels zitten wij bijna 50 dagen in ons isolement. Hoewel de kinderen wel buiten mogen spelen met anderen hebben wij ons nog niet aan die stap gewaagd. Het blijkt ook lastig om weer uit je isolement te komen en het voelt spannend om weer de nabijheid van andere op te zoeken. Ik heb op zich vertrouwen in de onderzoeken die laten zien dat kinderen een minimale rol in de verspreiding van het virus spelen, maar uit Duitsland klinken nu opeens weer andere verhalen en waarschuwingen voor het opengooien van de scholen. En zo blijven we maar hinken op twee gedachtes: het kan wel/het kan niet, het valt mee/het valt niet mee, het is veilig of toch niet? Als leek heb je eigenlijk toch maar heel weinig weet van wat echt wijsheid is. De meisjes klagen in elk geval niet en vragen ook niet om het spelen met een ander, dus we laten het maar even zo gedijen.

Aan de lange rij van afgeronde knutselwerken willen wij deze ochtend een heus Paasmandje toevoegen. Ruiterlijk laat, dat geef ik toe, maar de dames bepalen en die hebben er zin in. Het blijkt voor deze knutselmoeder al snel een brug te ver en dan haken ook de jongste twee met een weinig gevorderd mandje af. Oudste dochterlief doet nog even verwoede pogingen het mandje te redden en stopt uiteindelijk bloedchagrijnig ook. Intussen heb ik al een grote puzzel uit de kast getrokken en we liggen met zijn vieren op de grond te puzzelen als mijn moeder zich meldt. Het is dit keer de beurt aan onze jongste om een dagje alleen bij opa en oma te zijn en daar verheugt ze zich al een week op. De nachtjes zijn afgeteld en de uren van deze ochtend tot het moment van ophalen ook. Ze geeft haar tweelingzusje tweemaal een dikke kus en knuffel en vertrekt dan luid zwaaiend en roepend naar ons.

Elke week weer merk ik hoeveel verschil het maakt als eentje van de dames vertrekt. De andere twee spelen in alle rust samen en we pakken de fiets ook maar weer nu het kan. Met de wind in de rug gaan we als een malle dit rondje en we besluiten niet alleen langs ons kantoor maar ook langs school te fietsen. Het schoolgebouw ligt er stil en gesloten bij en ondanks dat er overduidelijk niemand is, durft oudste dochterlief niet over het schoolplein te fietsen. Ik mag van haar ook niet uit de band springen want dat mag écht niet van juf. Op de ramen hangt: ‘lieve kinderen, we missen jullie” en dat vindt ze fantastisch. ‘Wat vind ik dat prachtig’, roept ze uit. Mijn meisje die voorop zit, heeft nog lichte argwaan tegen deze nieuwe school. Volhardend noemt ze dit ‘Olivia’s school’ en als ik haar verbeter dat dit nu ook haar school is, kijkt ze me aan alsof ze water ziet branden. Eenmaal thuis is er wat anders wat brandt. ‘Er zit brand in mijn billen!’ roept ze uit als ik haar uit het stoeltje hijs. Ik vrees dat het zitje voorop wel echt te klein is voor deze vierjarige.

Oudste dochterlief stort zich thuis op de Donald Duck waarbij een zoekposter zit met maar liefst 38 spreekwoorden. Heel fijn, zo leert ze ook nog wat. Ik ga samen met haar zusje gras maaien. Aan mijn beweging kom ik wel deze dag en dat is maar goed ook, want als nummer drie weer het huis binnen valt met opa en oma sluiten we de dag af met patat en frikandellen. Het lijkt wel even een gewone vakantie.

’s Avonds krijg ik het opeens benauwd van het hele basisschoolgebeuren. Oudste dochterlief vraagt zich af of zij juf straks ook mag knuffelen en ik denk het niet. Opeens schiet ik in de stress van mijn jongste meisjes. Gaat de kleuterjuf ook anderhalve meter afstand willen houden? Want die twee van mij zullen echt wel even over een drempel heen moeten de eerste keer dat ze naar school gaan. Ze zijn nogal verlegen van aard en hebben over het algemeen niet veel op met vreemden. Even laten huilen in de veronderstelling dat ze wel kalmeren zodra ik uit het zicht ben, is vaak geen goed plan. Laatst nog vertrok ik even naar een tienminutengesprek over oudste dochterlief terwijl ik hun bij een buurmeisje achterliet. Deze laatste nam een vriendinnetje mee en dát vonden mijn dames te spannend. Dit vriendinnetje was zelf ook vrij verlegen, dus het ijs werd niet bepaald gebroken. Toen ik aanstalten maakte te vertrekken, zetten mijn beide dames het op een huilen. Ik moest ze echt lostrekken van me en riep nog bemoedigend naar het buurmeisje: dit gaat zo wel over hoor. Dertig minuten later reed ik weer terug naar huis als ik een appje van haar krijg dat ze niet meer weet wat te doen. Ik rijd de oprit op en zie voor de deur nog altijd twee meisjes staan krijsen. Geteisterd door dit soort schrikbeelden van de eerste schooldag kan ik deze avond de slaap maar moeilijk vatten. Ik begrijp heel goed waarvoor we anderhalve meter afstand houden en wat het nut ervan is, maar het leven wordt er wel heel wat minder menselijk van.