Column Maria Wijnands-Hovingh

Deel 37 – zondag 3 mei

Zondagochtend moet er uiteraard weer uitgebreid geknuffeld worden met Pluisje, Pieter en Thomas. De dames zijn dolgelukkig met hun superzachte pluizebolletjes. Via videobellen moet ook het  beste vriendje van oudste dochterlief annex buurjongetje op de hoogte worden gebracht. Het is zo jammer dat hij niet even kan komen kijken. Oudste dochterlief houdt behendig de telefoon voor het hok, maar dit videobeeld kan natuurlijk niet tippen aan ‘real life’. Zijn moeder en ik overleggen over het samen spelen van de kinderen. Voor de coronacrisis wisten deze twee elkaar wel te vinden. Ze zaten bij elkaar in de klas, samen op zwemles en waren veel buiten aan het spelen. Sinds de scholen dicht zijn, hebben wij onze kinderen ver van anderen gehouden. Maar nu bekend is dat kinderen weinig risico lopen en amper rol in de verspreiding van het virus spelen, vragen manlief en ik ons af of we niet te streng zijn voor onze dames. Vooral voor oudste dochterlief zou het heerlijk zijn om weer eens met haar vriend te kunnen spelen, maar wanneer durf je het weer aan? We besluiten: met afstand gaan we het weer proberen. Komende week moeten ze elkaar maar weer eens opzoeken op het speelveld.

Eerst is er wat anders aan de orde: we gaan met zijn allen op pad. En dat voelt vreemd, heel vreemd. Ik heb het gevoel dat iedereen op de snelweg bij ons naar binnen kijkt met een blik van ‘shame on you’. Ja, we zijn met het hele gezin op pad terwijl de boodschap is: blijf bij huis en doe alleen wat noodzakelijk is en dan ook nog eens alleen. Wat wij gaan doen echter, kan niet anders dan met elkaar. Al jaren hikten we er tegenaan en kwam het onderwerp op tafel om er even ras weer vanaf te gaan: een hondje. Manlief en ik groeiden allebei op met honden en we vinden het prachtig om ook onze kinderen dat mee te geven. Het goede moment was er de laatste jaren echt niet. Nu de vakantie is geannuleerd en we meer bij huis zijn dan ooit, lijkt de tijd rijp. We hebben rondgeneusd en zijn op een prachtig nestje puppy’s gestuit waar we natuurlijk wel mét de dames willen kijken. Vooraf heb ik contact gehad met eigenaren van deze prachtige dotjes en we hebben over en weer laten weten: wij zijn gezond, wij zijn voorzichtig geweest en we houden netjes afstand straks. Het moet dus kunnen, al voelt het vreemd en ongemakkelijk als we na een uurtje rijden naar binnen stappen in andermans huis. Als we vertellen waar we vandaan komen, lijkt de eigenaresse des huizes erg laconiek. ‘Bij jullie is toch helemaal geen corona’, haalt ze haar schouders op. Er staan doekjes en desinfectiemiddel klaar en we poetsen ons bacterievrij om ons daarna onder te wimpelen in alleen maar puppyliefde. Elf schattige zwarte hondjes buitelen over elkaar en ons heen en de keus is snel gemaakt: we nemen er eentje. Kijken is kopen; dat wisten we van tevoren ook wel.

En zo breiden we wonderlijk genoeg in één weekend ons huishouden snel uit. U begrijpt: die avond zaten er drie dolgelukkige kindjes bij ons aan tafel. Oudste dochterlief droomde hardop van het aanleren van trucjes aan de hond en hoopt er over een aantal jaren alleen mee te gaan lopen. De kleintjes willen spelen, spelen en spelen met het hondje. Nog een maandje en dan zal hij met open armen ontvangen worden; zoveel is zeker. Even leek de sfeer om te slaan toen manlief in paniek riep vanuit de tuin. Wat bleek, het deurtje was uit het konijnenhok gevallen en het oogde erg leeg daarbinnen. Gelukkig blijken Pieter, Pluisje en Thomas goed honkvast en waren ze braaf in een ander deel van het hokje blijven zitten. Blijkbaar vallen de knuffels en kusjes toch in goede aarde.