De morgenstond

Voor sommigen is het knap lastig, vroeg opstaan. Vogels inventariseren is dan niets voor hen, want daar moet je vroeg voor uit de veren. Ik heb er gelukkig  geen enkele moeite mee. Je weet namelijk dat je naast allerlei zingende vogels ook spectaculaire zonsopgangen en andere spannende natuurzaken kunt beleven. U kent het spreekwoord: De morgenstond heeft goud in de mond. Een ander, waarschijnlijk minder bekend spreekwoord, luidt echter: Er is geen goud zonder schuim.

In deze tijd hoor ik regelmatig verhalen van mensen die er ronduit moeite mee hebben dat bepaalde dieren andere dieren om zeep helpen. ”Rovers zijn het”, klinkt het dan. U kunt wel invullen om welke dieren het dan gaat. Laatst nog was ik bij een mevrouw die erover klaagde dat er zoveel roofvogels waren. ”Prachtig toch”, antwoordde ik, ”dat betekent dat het goed met de natuur gaat; er zijn dus veel prooien”. Maar mevrouw bleef klagen, want van alle zangvogels bij haar in de buurt bleven er maar weinig over. Roofvogels zullen daar slechts deels verantwoordelijk voor zijn. Kraaiachtigen zullen tevens hun deel opeisen en verder zijn er nog vele andere die gebruik maken van het aanbod aan nieuw leven. Bedenk daarbij dat deze dieren ook jongen hebben die grootgebracht moeten worden. Helaas lopen er ook nogal wat verwilderde katten in de natuur rond die een aanslag plegen op al dat jonge leven en vergeet niet de huiskatten. Dat zijn dan wel huisdieren, maar helaas mogen de meeste buiten lopen en richten daar grote schade in de natuur aan. ”Dat is hun instinct”, zegt men dan. Zo is het ook en daarom zie ik het liefst dat katten binnen worden gehouden of, als ze wel buiten komen, binnen een afgerasterd gebied  blijven. Dat scheelt het leven van vele miljoenen dieren, die dan op een natuurlijke wijze aan hun einde komen.

Natuurlijk is het geen prettig gezicht dat jonge vogeltjes worden gegrepen, maar het is een facet van de natuur dat erbij hoort. Dat houd ik mensen ook altijd voor die afgeven op ‘die rovers’. Mijn voorganger, wijlen Wim van Amerongen, had het eens over hoeveel vogeltjes er na enkele jaren zouden zijn wanneer ze allemaal groot worden en zelf voor nakomelingen zorgen. Je zou in de vogels omkomen. Neem onze Merel, waarvan er een miljoen paartjes in Nederland zijn. Stel dat ze per jaar een nest van 4 jongen grootbrengen en die jongen doen het jaar daarop ook mee aan de voortplanting. Na 5 jaar zouden er dan al meer dan 250 miljoen paartjes zijn. Daarom is het maar goed dat het in de natuur zo is geregeld dat de soorten elkaar in stand houden. Door toedoen van de mens (een ecologische rampsoort) ontstaan er echter nogal eens scheve verhoudingen. Zo kennen onze herten (Edelhert, Damhert en Ree) en Wilde zwijnen geen natuurlijke vijanden. Elders worden ze onder meer belaagd door de Lynx en Wolf, maar die komen hier (nog) niet voor. Om te voorkomen dat er veel schade door ontstaat (verkeer, landbouw) vindt afschot plaats. Ondanks dit afschot (wildbeheer genoemd) verongelukken van de ruim 65.000 reeën in Nederland er jaarlijks zo’n 4.000 in het verkeer.

Het vorige weekeinde liep ik in één van mijn (vogel)telgebieden rond en soms verwacht ik daar een bepaald dier te treffen en dan komt het nog uit ook. Een beetje onverwacht was een Egel die vlak voor me een pad overstak. Niet verwacht waren twee IJsvogels die ik op één plek waarnam; dat duidde op een broedgeval. Reeën kom ik er altijd wel tegen, maar zelden heb ik een voor mij vluchtende reebok zo tekeer horen gaan, sommigen zouden er bang van worden. Misschien was het om een reegeit (met kalfjes?), waar ik even later op stuitte, te waarschuwen. Nog iets later, het was inmiddels 5.30 uur, zag ik even voorbij een bocht op een zandpad het dier waarop ik vooraf een beetje gehoopt had, namelijk een Vos. Ik heb ze weliswaar veel vaker gezien, maar nog nooit was de ontmoeting met deze fraaie jager zo fascinerend als deze keer. Dat had te maken met wat hij meezeulde, een reekalf, dat had ik nog nooit eerder gezien. Voor een Vos is dat natuurlijk een prachtige prooi, die ik hem van harte gunde, want daar heeft hij heel wat meer aan dan aan een paar muizen of zo. Ik vertelde iemand over deze ontmoeting en hij reageerde enthousiast: ”Zoals het hoort”. Wel sneu voor dat kalfje, maar u begrijpt dat het zo beter terecht komt dan dat het later op andere wijze het loodje legt. Misschien was het kalfje al wel dood, want vele sterven vroegtijdig ten gevolge van infecties. Bovendien werpt een Ree meestal twee kalfjes die een eindje van elkaar liggen (risicospreiding). Als die Vos slim is volgt hij het spoor van die reegeit nog een keer…