‘De natuur is flexibel, wat kan groeien gaat groeien’

Na de brand: op pad met de boswachter

RODEN –  Het vuur is gedoofd, rookwolken gedaald en de rust is terug in het pittoreske Alteveer. Zondagmiddag 5 april werd het buurtschap opgeschrikt door een enorme brand die rond vier uur is ontstaan op de heidevlakte in het Mensingebos. Door de harde wind verplaatste het vuur zich in rap tempo. De rookpluimen waren in Roden te zien. En anders wel te ruiken. Want de wind stond in de richting van het dorp van Ot en Sien. De brandweer heeft de brand met 11 korpsen en 70 brandweerlieden weten te blussen. Boswachter Albert Henckel nam met collega’s de schade op. Speciaal voor de Krant maakte hij nog een extra ronde door het bijzondere natuurgebied van het Mensingebos.

Woensdagochtend 10:00, voetbalvelden VV Roden. Albert Henckel staat al te wachten, uitgerust in een donkergroen pak van Staatsbosbeheer én zijn Canon camera. Want die gaat altijd mee wanneer Albert de natuur in trekt. Fotograferen is hobby van de boswachter. Een half uurtje voor de afspraak had hij nog een paar adders vastgelegd op de gevoelige plaat. Hij had het vermoeden dat die wel eens op een bepaalde plek in het bos zouden kunnen liggen. Bingo. Twee mannetjes adders – de vrouwtjes komen later zo blijkt- liggen opgerold in het hoge, nog vochtige gras.  Albert weet waar hij wat kan verwachten, hij zat ook in de werkgroep Amfibiën en reptielen Drenthe. Al vaker liep hij de reptielenroute in het Dwingelderveld in Dwingeloo, waar hij boswachter is.  Nu hij dat (tijdelijk) ook is in de Kop van Drenthe, leert hij het Mensingebos steeds beter kennen. “Een heel bijzonder stuk natuur met een grote variatie in vegetatie”, weet hij te vertellen, terwijl hij de redacteur en fotograaf wijst op de knoppen van een Lijsterbes die op springen staan. “Een prachtig stukje natuur hier. Het landgoed gaat over in het beekdallandschap; het half open bos, de heide velden en een beekje dat kronkelt door het landschap. Noordenveld mag blij zijn met zo’n mooi natuurgebied.”

Adders

Onderweg naar de plek van bestemming, het heideveld waar de brand heeft plaatsgevonden, praat Albert de redacteur bij over de schade die de brand heeft aangericht. Zo zijn er een aantal dode hazelwormen gevonden. “Er is tussen de tien en vijftien hectare natuur verloren gegaan, zo heb ik begrepen van de brandweer. Vooral heidegrond met wat oude vliegdennen. In het gebied hebben we een inventarisatie gedaan. We hebben onder andere twee dode hazelwormen aangetroffen. De hazelworm lijkt op een slang, maar is een potenloze hagedis. Hij leeft in dit gebied. Ook adders en ringslangen komen hier voor. De derde slangensoort die hier niet voorkomt is de gladde slang. De ringslang legt haar eieren in een broeidhoop en vertrekt daarna. De broeiwarmte laat de eieren uitkomen. De adder en de gladde slang broeden hun eitjes uit in het lichaam”, vertelt de boswachter terwijl hij twee dode padden aantreft op het wandelpad. “Het mannetje zit bovenop het vrouwtje. In de paringstijd liften ze mee op de rug van het vrouwtje. Ze hebben het water aan de overkant proberen bereiken om de eieren af te zetten.”

Vogels zingen prachtige liederen terwijl we onze wandeling voortzetten. Goudvinken, weet Albert. “En daar horen we het geluid van een Doodaars, een fuutachtige vogel die hier voorkomt. Vanochtend reed ik via het Fochtelooerveen door Veenhuizen naar Roden. Daar hoor je de Kraanvogels roepen, zó mooi. Die leven hier overigens niet.” De geur verraadt dat we dichterbij het getroffen gebied zijn gekomen. Links, ter hoogte van het openveld waar fietsers en wandelaars op een bankje kunnen genieten van de natuur, zie je de zwartgeblakerde heidevelden. Ondertussen wordt de boswachter aangesproken door een meneer die wil weten of de Havik terug is. Dat blijkt het geval. De brand heeft ook de rasters (de ijzeren bedrading rondom het veld) aangetast. “Dat is straks een van de eerste dingen die we moeten vervangen. Door de brand ontstaat roestvorming.” Het vuur kon zo snel om zich heen grijpen door het pijpenstro dat kurkdroog is. Van het heideveld is niet veel meer over. Het duurt zeker een jaar of tien voordat het in vol ornaat terug is, weet Albert die tegen de zomer een groene vlakte verwacht door de aangroei van het pijpenstro. Veel langer duurt het voordat de ongeveer 80 jaar oude vliegdennen terug zijn. De bomen met zwartgeblakerde stammen gaan het vrijwel zeker niet redden. “Als de sapstroom is aangetast door de brand is het gebeurd. Wat er met de bomen gaat gebeuren weet ik nog niet. Er moet eerst overleg plaatsvinden: wat willen we met dit gebied? Daar is ook een ecoloog bij betrokken. Maar ik kan me niet voorstellen dat ze dode bomen laten staan.” Halverwege het pad langs de heide is de brand overgeslagen naar het naast gelegen bos. De brandweer heeft een enorme klus gehad, zoveel wordt duidelijk.

Flexibel

“Heel knap gedaan van de brandweer. Ze hebben ingezet om bosbrand zo veel mogelijk te beperken door het leggen van een stoplijn. Daardoor is erger voorkomen. Een speciale grondploeg uit Enschede heeft ’s avonds de grondhaarden in het gebied nog uitgemaakt.” Aan het einde van het pad langs de hei lopen we linksaf door het hekje. Vanaf daar kunnen we het verbrande gebied betreden. Albert hurkt en pakt een zwart bolletje van verbrande strosprieten. “Een nestje van een dwergmuis. Kijk, allemaal keuteltjes.” Verderop treffen we een grote verbrande rups. “Hier leeft van alles. Heikikkers, muizen, hagedissen als de levenbarend hagedis. Ook is er een dassenburcht in het gebied. Dat valt te zien aan de burcht. Een das sleept de grond achteruit en brengt gras in de burcht. En hij poept in een dassenputje.” Albert vindt een zaadje van de vliegden. Een soort vleugeltje met een minuscuul zaadje erin. “Nieuw leven. Zo snel gaat het. De natuur is flexibel. Wat kan groeien gaat groeien. Vroeger staken ze heidevelden bewust in brand. De meststoffen die ontstaan verrijken de grond. De natuur neemt het gebied gewoon weer in bezit.”

Het platgetreden looppaadje op het heideveld is vreemd genoeg niet aangetast door het vuur. “Dat komt omdat we te maken hebben met een vochtige ondergrond. De grassen zijn platgetrapt, die kunnen geen vlam vatten.” We bereiken het deel van het heideveld dat bespaard is gebleven. “Het geeft een mooi beeld van de gevarieerde vegetatie. Hier groeit dopheide, struikheide en kraaiheide, die soort bloeit als eerste. Verder zie je Vossebes, ook wel de rode bosbes genoemd en de blauwe bosbes. En hier groeien veel verschillende soorten mossen zoals kussentjes vormend veenmos”

We wandelen terug over het smalle schelpenpaadje richting Roden. Aan de rechterzijde constateert de redacteur kleine dennenboompjes. “Fijnsparren. Ontstaan uit zaden van de grote fijnsparren verderop in het bos. Veel van die sparren zijn aangetast door de letterzetter. Je ziet allemaal kale plekken in het bos. Dennen die daar gestaan hebben zijn dood. Het kevertje knaagt aan de stam van de boom en onderbreekt de sapstroom. Of dat een probleem is? Het is net in welk perspectief je het bekijkt. De mens richt veel meer schade aan. Wel zien we graag een grote variatie aan bomen om lege plekken als deze te voorkomen.”

Tot slot willen we weten wat boswachter Albert Henckel het mooist vindt aan zijn vak. “Dat we seizoenen hebben. Ieder seizoen heeft iets bijzonders. De variatie in kleur en licht is fantastisch.”