De teneur

colum-cees-bont-zandoogje

Afgelopen zaterdag was ik in Zwiggelte aanwezig bij het 25-jarig jubileum van de Vlinderwerkgroep Drenthe. Er was een aantrekkelijk programma samengesteld met goede sprekers en interessante lezingen. Waar ik vooral nieuwsgierig naar was waren de cijfers, immers ’meten is weten’. Na 25 jaar beschik je als werkgroep over een schat aan verzamelde gegevens en die laten zich goed vergelijken. Tijdens een feestje zou het dan mooi zijn om met een hosannaverhaal te komen, maar helaas is de praktijk anders; de teneur die werd geschetst was bepaald niet rooskleurig.

Nou kwam dat niet echt als een grote verrassing, want bij IVN Roden weten we van onze vlinderspecialist Minko van der Veen dat er zorgwekkende tendensen zijn. Neem bijvoorbeeld de Argusvlinder, eerst een soort die zeer algemeen in Nederland (en Drenthe) voorkwam, maar nu is deze graslandsoort (ook mondiaal) enorm achteruit gekacheld en zie je hem in Groningen en Drenthe nauwelijks meer. Minko, hij is tevens secretaris van de provinciale werkgroep, gaf een voorproefje over wat we in de nieuwe atlas van de Drentse dagvlinders kunnen verwachten en meldde en passant dat het met een stuk of zeven andere graslandsoorten ook niet goed gaat. Eén van de verklaringen daarvoor is dat het met de depositie van stikstof heeft te maken. Dat planten van stikstof harder gaan groeien is bekend, maar men vermoedt dat de samenstelling van grassen waarvan de rupsen eten hen een gevoel geeft dat ze voldoende hebben gegeten waardoor ze na het verpoppen minder levensvatbaar zijn. Nu zijn er meer redenen waardoor het met de vlinderstand minder goed gaat dan gewenst. Dan heb je het onder andere over microklimaat, versnippering van leefgebieden, vervuiling door bestrijdingsmiddelen en verkeerd beheer. Bij dat laatste kunt u denken aan het maaibeleid.

Natuurlijk waren er ook positieve geluiden te beluisteren. Neem de vlinder die u boven dit stukje ziet afgebeeld, het Bont zandoogje. Dat was 25 jaar geleden een uiterst zeldzame soort die slechts in enkele gebieden voorkwam. Maar sindsdien heeft deze vlinder een stormachtige ontwikkeling qua verspreidingsgebied doorgemaakt en nu komt hij in heel Nederland voor. De bekendste vlinderman van Nederland, Kars Veeling van de Vlinderstichting, was ook aanwezig en noemde twee vlinders die we waarschijnlijk tussen nu en pakweg 20 jaar in heel Nederland mogen verwachten. Het Kaasjeskruiddikkopje is er één van en dat we die mogen verwachten is gerelateerd aan het voorkomen van malva-achtigen, kaasjeskruiden dus die we in onze contreien ook steeds meer zien. De uitbreiding van het areaal is mede gebaseerd op het opwarmende klimaat waardoor deze ’zuidelijk’ soort de grenzen in noordelijke richting kan verleggen. Het Staartblauwtje is een andere soort die net als de vorige niet al te veeleisend is en steeds meer binnen onze grenzen wordt gezien. Dit blauwtje heeft onder meer Rode klaver en (Moeras)rolklaver als waardplant, waar de eitjes op worden gelegd en de rupsen van leven. U weet ongetwijfeld dat deze planten in onze omgeving en elders in ons land ruim zijn vertegenwoordigd en daarop was zijn voorspelling gestoeld.

Een enkele keer lees ik berichten over nieuwe nachtvlindersoorten in Nederland. Zo werd de prachtig getekende Zoomvlekspanner dit jaar voor het eerst in het Savelsbos in Zuid-Limburg gezien en dat gold ook voor het Vaal kokerbeertje in de buurt van Terneuzen. Dat is echt een onopvallende soort waar kennelijk toch iemands oog op viel. Of dit blijvertjes zijn moet worden afgewacht. Leuk natuurlijk die positieve geluiden, maar toch was de teneur minder positief. Cijfers liegen nu eenmaal niet en Minko liet aan de hand van staafdiagrammen de ontwikkelingen zien. Voor Drenthe kwam het er op neer dat het met een derde van de dagvlinders nog redelijk gaat, maar met tweederde minder goed. Dat zal ook wel het landelijke beeld zijn en het geldt ook voor nachtvlinders. Om op zo’n heuglijke dag niet al te zeer in mineur te eindigen werd nog de opbeurende kanttekening geplaatst dat de negatieve tendensen wel aan het afvlakken zijn. Wellicht maak ik het nog mee dat er sprake is van een positieve kentering, maar veel hoop heb ik er niet op.