‘Dingen zijn niet zoals ze zijn, maar zoals ze ons voorkomen’

IMG_1040

IMG_1041IMG_1042AZC in Roden: van Molotov cocktail tot slapende Soedanees op de Albertsbaan

RODEN – In Roden kwam in 2000 (tijdelijk) een asielzoekerscentrum. Wat nu Roderveld IV is, was een aantal jaren opvangplek voor mensen uit verschillende landen. Het asielzoekerscentrum ging kort voor de eerste editie van de Krant uitkwam open. En dus werden de ontwikkelingen aan de Hullenweg nauwkeurig gade geslagen door met name Janet Hovingh. Zij sprak met de man uit die sliep op een bankje op de Albertsbaan en verwonderde zich over de ‘uitzetting’ van een Chinese vrouw, de eerste vluchteling in Nederland die op deze wijze verwijderd werd. En toch kwam ze elke week wel even op bezoek aan de Hullenweg. Roden veranderde door de komst van het AZC. Het was – kortom- een bijzondere periode. Een periode die opvallend genoeg voor Janet begon in Joure.

December 2000. Joure. Janet Hoving is dan nog werkzaam voor een andere krant. Omdat er binnenkort een asielzoekerscentrum in Roden wordt geopend, brengt zij een bezoek aan een vergelijkbaar centrum in Joure. Gewoon, om de sfeer te proeven. Om met eigen ogen te zien wat Roden te wachten staat. Wat ze zag maakte haar allesbehalve blij. ‘Het was verschrikkelijk. Echt verschrikkelijk. Ik had en heb er nog steeds geen andere woorden voor’, zegt ze ruim vijftien jaar na dato. Janet schreef een verhaal waarin ze haar eigen gevoel en observaties optekende. Dit tot grote ergernis van de heer Ligthart, directeur van AZC Joure. Hij schreef Janet dan ook een gepeperde brief. In die brief hekelde hij het ‘subjectieve beeld’ dat Janet in zijn ogen geschetst had. ‘De werkelijkheid is fenomenologisch’, sloot hij af. ‘ Dingen zijn niet zoals ze zijn, maar zoals ze ons voorkomen. Hun waarde is niet objectief, maar aan onze subjectieve ervaring gebonden.’ ‘ Fenomenologisch? Het zal. Het was gewoon vreselijk. En het regende nog ook. Wát een troosteloze bedoening daar’, zegt Janet, die dus wist wat Roden te wachten zou (kunnen staan).

In Roden zelf liep bepaald niet iedereen de polonaise vanwege de komst van een AZC in het dorp. Aanvankelijk werd ook het Ronostrand genoemd als mogelijke opvanglocatie. Die plannen gingen niet door. En in dat besluit zou toenmalig wethouder Vroukje Hartlief volgens insiders de hand hebben gehad. De reden laat zich raden. Hartlief was bepaald niet blij met de beweringen en spande zelfs een rechtszaak aan. Het werd dus Roden. Ondanks sterk verzet van onder meer vereniging Natuurlijk Roderveld. De vereniging probeerde van alles en betwiste vooral het tijdelijke karakter van het AZC. De politiek had het namelijk steeds over een tijdelijke opvanglocatie, in officiële documenten was dat – zo schetste de vereniging- nergens terug te vinden. Het meningsverschil ging ver, tot de Raad van State aan toe. Ernst Hirsch-Ballin stelde echter in zijn uitspraak dat de gemeente geen blaam trof. Het AZC kwam er gewoon. 120 stacaravans voor de opvang van maximaal zeshonderd mensen. Voor maximaal vijf jaar, verlenging van die termijn – zo stelde ook de Raad van State, was uitgesloten.

En dus ontstond er begin 2001 een soort van nieuw dorp aan de Hullenweg, tot die tijd vooral een oase van rust. Het terrein zag er – daar waren vriend en vijand het wél over eens- keurig uit pal voor de opening. De vluchtelingen vonden al snel hun weg in Roden, de protesten bleven. Of was de aanslag die vier jongemannen pleegden eerder baldadigheid? Het was zomaar een woensdagavond in september toen vier mannen flesjes bier met brandende benzine over het hek van het AZC gooiden. Brandbommen dus. Getuigen zagen de mannen op twee fietsen en twee brommers vertrekken. Vol gas. Drie en vier dagen later werden twee jongemannen aangehouden. Ze bekenden meteen. Ondertussen had mevrouw Otter uit Roden het initiatief genomen voor een bloemenmars. Vanuit het centrum van Roden liepen honderden mensen richting asielzoekerscentrum. Daar kregen vluchtelingen bloemen overhandigd. Als teken dat ze welkom waren in Roden.
Abdul op de Albertsbaan
Vrijwel dagelijks liep Janet in de ochtend over de Albertsbaan. Vooral uit praktische overwegingen om zo richting kantoor aan de Kanaalstraat te lopen maar ook vanwege de aanwezigheid van een openbaar toilet. Janet had zich namelijk sterk gemaakt voor een openbaar toilet en dus liep ze er ook uit een soort van trots. Op zomaar een ochtend zag ze hem liggen. Abdul Hussein. Misschien lag hij juist wel op die Albertsbaan vanwege de aanwezigheid van in elk geval een toilet. De man sliep. Of beter: hij werd net wakker en veranderde zijn ligstand in een zittende positie. Janet liep naar hem toe, sprak hem aan en schudde niet veel later de hand van Abdul Hussein. Uit Soedan. 26 lentes jong. Hij woonde aanvankelijk in een caravan aan de Hullenweg. Vanwege een procedurefout moest hij echter weg. Hij moest zich verder zelf maar redden. En dus genoot hij van zijn nachtrust op een houten bankje op de Albertsbaan. Abdul was met de boot in Nederland gekomen. Hij zette in Rotterdam voor het eerst van zijn leven voet op Nederlandse bodem, later belandde hij in Roden en nu zat hij slaapdronken op een houten bankje op een Drentse parkeerplaats. Janet rook een verhaal en besloot Abdul mee te nemen. Mee naar kantoor aan de Kanaalstraat. Daar voorzag ze hem van een ontbijt. ‘Ik weet nog dat ik hem suikerbrood aanbood, maar hij dat weigerde. Dat viel me heel even verkeerd, haha. Ik heb hem vervolgens de hele dag bij me gehad. Hij leek wel een stagiair. Later heb ik zelf onderdak voor hem geregeld. Dat liep geloof ik via de familie Stuurwold. En dus heb ik hem ‘s avonds ergens afgezet.’ Het was de laatste keer dat Janet Abdul zag. De man die geen suikerbrood lustte. ‘Wat me ook nog bij staat is dat ik later nog spullen van hem uit het AZC heb gehaald. Zijn hele hebben en houden zat in welgeteld drie vuilniszakken. Triest hè. Die jongen had toch al heel veel meegemaakt. Hij was ooggetuige van de moord op zijn vader en werd daarna tijdelijk opgevangen door geloof ik een vriend van zijn vader. De politie kwam daar achter en dus was hij ook daar niet langer veilig. Hij vertelde me dat er op hem geschoten was. Dat hij gemarteld was. Hij liet me de kogelgaten op zijn lichaam nog zien.’ Dat Janet de vuilniszakken haalde, was niet alleen vanuit sociaal oogpunt. ‘Hij mocht letterlijk geen voet meer op het terrein aan de Hullenweg zetten. Triest hoor. Zijn advocaat had zijn werk niet goed gedaan, hij had zich niet misdragen of iets dergelijk. Bijzonder was dat zijn asielaanvraag wél gewoon doorliep. En dus kon hij Nederland niet verlaten terwijl hij dus geen onderdak had. Dat was heel dubbel.’ Via Abdul, die als een zwaan-kleef-aan bij Janet in de buurt bleef, kreeg ze een aardig inzicht in het wel en wee aan de Hullenweg. ‘Hij woonde met nog vijf mannen in een caravan. Dat ging allemaal wel, al hielpen de mannen elkaar niet. Dit werd veroorzaakt omdat Abdul christen was en de andere mannen Moslim. Dat leverde nogal wat spanningen op, geloof ik.’
Janet zorgde er dus voor dat Abdul niet nog een nacht op de Albertsbaan hoefde te slapen. Politiek Noordenveld ondernam weinig voor de vluchteling. Zij verscholen zich vooral achter Den Haag en lieten weten het heel erg te vinden, maar simpelweg geen opvang te hebben. De zaak Abdul leverde toch nog winst op. Aanvankelijk leek het er namelijk op dat er meer mensen het AZC vanwege allerlei procedurele fouten moesten verlaten. Zover kwam het echter niet. Uiteraard zat ook Noordenveld niet te wachten op meer mensen die doelloos door het dorp zouden zwerven. En op de Albertsbaan stonden ook niet voldoende bankjes om mensen een slaapplaats te bieden.
Ondertussen voelden de vluchtelingen zich steeds meer thuis in Roden. Aan de aanwezigheid van de buitenlandse gasten moesten de inwoners van Roden wel wennen. Net als winkeliers. Een aantal lieten per briefje op de deur weten ‘niet meer dan twee asielzoekers tegelijk’ binnen te laten. Roners voelden zich aanvankelijk wel eens ongemakkelijk in de supermarkt, als tientallen asielzoekers er liederen zongen of in een voor de gemiddelde Drent onverstaanbare taal spraken. Het was geen angst. Zeker geen haat. Het was nieuw. Onwennig vooral.
Yin is nu zestien jaar
Mei 2001. De pas 1-jarige Yin ligt heerlijk te slapen in caravan 20. Totdat een deurwaarder een aanvang maakt met het ontruimen van die caravan. Yin woonde er samen met haar 6-jarige zusje Chi Chi en moeder Qin Wang. Moeder diende twee asielverzoeken in en met dank aan Vluchtelingenwerk Roden had ze wel al woonruimte. Hoewel dus nog in procedure moesten zij en haar kinderen vanwege een abrupt ingevoerde nieuwe asielwet wachten op de uitslag zonder dak boven het hoofd. Vandaar dus die deurwaarder. De uitzetting was uitgelekt. Er werd een stille tocht geregeld van AZC naar het gemeentehuis in Roden Qin Wang was emotioneel. Ze moest ondersteund worden, viel bijna flauw. Chi Chi fietste ondertussen op haar fietsje. Alsof er niets aan de hand was. ‘ Het was zo triest. Of je nou voor of tegen asielzoekers was, dit raakte iedereen. Mensonterend’, herinnert Janet zich nog goed. ‘ Toen ik daar stond overviel me zelfs een gevoel van schaamte. Gewoon omdat je staat te kijken hoe een gezin uitgezet wordt.’ De stille tocht is dan ondertussen begonnen, maar wel zonder Qin. Zij kan simpelweg door haar emoties niet meer lopen en wordt per auto naar het gemeentehuis gebracht. Daar staat ook de landelijke pers. In de raadzaal biedt dominee Hans Greive wethouder Jan Bakker namens de Raad van Kerken Noordenveld, de Gereformeerde Vrijgemaakte Kerk, de Baptisten Gemeente en de SOW-gemeenten Roden/Roderwolde een petitie aan. In die petitie maakt Greive kenbaar dat ze doordrongen zijn van het feit dat het hier gaat om een hiaat in de wet. Hij verzoekt de gemeente nogmaals een signaal af te geven richting de Staatssecretaris van Justitie om haar verantwoordelijkheid te nemen. ‘ Ik weet nog dat Yin met grote ogen in de raadszaal zat’, zegt Janet. ‘Toen haar moeder begon te huilen, begon haar lipje ook te trillen. Ik ben iemand die van mening is dat regels en wetten nageleefd moeten worden. Ik vind echter ook dat ze bijgesteld kunnen worden. Zeker toen. Ik weet nog dat ik gezegd heb dat onze hond beter af is als wij op vakantie gaan. Ik vond het echt Nederland op z’n smalst.’
De kerken, stichting Inla en burgemeester Jaap Verkerk spannen zich die dag echter optimaal in en zorgen voor onderdak. Kon Chi Chi in elk geval weer rustig fietsen. ‘Het ergste aan dit alles was eigenlijk nog wel dat toen het Chinese gezin uitgezet werd, precies op dat moment een bus vol met nieuwe mensen afgezet werd aan de Hullenweg.’ Het contrast kon niet schrijnender.
Zomaar twee verhalen van mensen in AZC Roden aan de Hullenweg. Een plek waar Janet regelmatig kwam. ‘Je werd er simpelweg mee geconfronteerd. Op een gegeven moment lag er elke nacht een man aan de Hullenweg te slapen. Hij voerde een soort van protest. Ik vond de sfeer die er hing overigens prettig. Een stuk aangenamer in elk geval dan in Joure. Het was echt een dorpje op zich, met onder meer een eigen fietsenmakerij. Met een schooltje. Mensen kregen er Nederlandse les. Ja echt, ik was er graag en kreeg best een aardig contact met de organisatie en de vluchtelingen. Zo herinner ik me nog een lang gesprek met een aantal Bosnische jongeren. Ze vertelden me dat ze drie maanden door de bergen waren gelopen om hun land te kunnen ontvluchten. Dat soort verhalen blijven me tocht altijd bij.’

KADER
‘Ik weigerde bevelen te geven’
Geert Willems was enige tijd vrijwilliger bij het asielzoekerscentrum in Roden. Hij gaf er Nederlandse les. Niet lang overigens. ‘Ik was het niet eens met de wijze waarop wij vrijwilligers les moesten geven. Bovendien was er amper materiaal. Het moest kennelijk allemaal zo goedkoop mogelijk. Het was echt prutswerk wat we voorhanden hadden. Wat me het meest stak, was de wijze waarop we les moesten geven. Wij moesten de vluchtelingen zinnen als ‘ loop naar het raam’ en ‘ga naar de deur’ leren. Elke zin klonk als een bevel. Gebiedende wijs. Daar paste ik voor. Het was ook onhandig, want stel dat zo’n vluchteling met goede bedoelingen de bank binnenloopt en zegt ‘geef geld’. Medewerkers zouden denken dat er plannen waren de bank te overvallen en meteen op de rode knop drukken, haha. Ook zoiets: wij als vrijwilligers kregen een lijstje met namen die we geen les mochten geven omdat het geen ‘echte vluchtelingen’ zouden zijn. Alsof dat de taak van een vrijwilliger was. Kennelijk durfde de directeur dat zelf niet te zeggen. Tenslotte herinner ik me nog een hoop heisa over een wipwap. Kinderen van het AZC vonden dat leuk, maar de buurt had er overlast van. De wipwap maakte teveel lawaai. Er is zelfs een rapport over gemaakt en een hoorzitting geweest en al met al heeft deze ‘zaak’ volgens mij 80.000 euro gekost. Bijzonder, want kijk eens in Roden. Op elk speelveldje staat een wipwap en ik heb er nog nooit iemand over horen klagen. De ‘roem’ was de asielzoekers overigens al vooruitgesneld. Nog voor er een vluchteling in Roden was, werd winkeliers al duidelijk gemaakt dat de vluchtelingen het verschil tussen ‘mijn en dijn’ niet zo goed zouden. Kun je nagaan. Asielzoekers vertelden me wel eens dat ze ogen voelden branden als ze een winkel betraden.’