Distelvink

    column-cees-distelvink

    In de jaren zeventig van de vorige eeuw woonde ik aan de voet van een oude zeedijk, een slaper. Daar zag ik regelmatig vogeltjes foerageren op de bloemen van oude distels. Met hun spitse en relatief vrij lange kegelvormige snavel wisten ze heel behendig de zaden te bemachtigen. Vanwege dit gedrag kon je op een afstandje al zeggen dat het de Putter was. Er zijn maar weinig andere vogels die dit kunnen en daarom wordt hij als lid van de vinkenfamilie ook wel Distelvink genoemd.

    Toen zag ik de vogel nogal eens, maar toch was het een vrij zeldzame verschijning. Het aantal broedparen in Nederland werd omstreeks die tijd geschat op ten hoogste 5.000. Sindsdien zijn ze echter behoorlijk in aantal toegenomen, want nu zijn het er wel 25.000. Het is een gevolg van zich succesvol aanpassen aan menselijke omgeving. Dat is ook zo gegaan met de Merel. Je kunt het je nauwelijks voorstellen dat dit eerst een zeer schaarse en vooral schuwe bosvogel was, want nu is het de meest algemene broedvogel van Nederland! Wat voor de Putter ook goed heeft uitgepakt is de vervanging van hoogstamfruitbomen door laagstamboomgaarden. In Roden kom ik ze af en toe wel tegen en dan herken ik ze aan hun karakteristieke vlotte liedje. Op de foto (van Bertus van der Velde) ziet u dat het een prachtige verschijning is. Niet voor niets is het een populaire volièrevogel, hoewel ik ze dus liever in het wild zie. Het meest kenmerkend is wel hun rode gezicht dat mooi contrasteert met de zwart-witte kop. Ook opvallend is de brede gele vleugelstreep op de zwarte vleugels. Dat zie je vooral goed (met een kijker) als ze vliegen. In De Onlanden zagen we met de vogelwerkgroep van IVN Roden twee vogels heel dichtbij op de distelsoort Kale jonker. Ik vermoed dat Bertus ze daar ook zag.

    Botte pech

    Het was eind mei dat ik dit jaar voor het eerst een stel Scholeksters met twee jongen op het gemeentelijke gazon voor ons huis zag. Jaar in, jaar uit broeden ze op het dak van zorgcentrum De Hullen met wisselend succes. In een bepaald jaar lukte het ze om alle vier jongen (een legsel bestaat uit 3 – 4 eieren) groot te brengen, een knappe prestatie. Daar stond wel weer een jaar tegenover dat alle jongen en een oudervogel werden doodgereden. Om bij ons te komen moeten ze namelijk de tamelijk drukke Ceintuurbaan Zuid oversteken. Dat gaat dus wel eens mis. In deze tijd zie ik ze al voordat het licht is ’s morgens heel vroeg rondscharrelen en als ze dan op de weg lopen zijn ze slecht te zien voor automobilisten. Een ongelukje is dan zo gebeurd. Dat is waarschijnlijk ook in de nacht van 17/18 juni zo geweest. Het viel me op dat ik slechts één jong zag die er niet goed uitzag. Ietwat kreupel bewoog hij zich voort en in plaats van de oudervogel te volgen om gevangen wormen (qua voedsel de hoofdmoot) in te pikken werden deze telkens gebracht. Dat gebeurde met grote regelmaat, want de avond ervoor had het geregend en kennelijk waren de wormen daardoor meer naar de oppervlakte gekomen en gemakkelijk, vooral langs de rand van de stoep, te bemachtigen. In een uur tijd waren het er meer dan vijfentwintig!

    Nou was ik nieuwsgierig waar dat andere jong was en ging op speurtocht, omdat ik het bange vermoeden had dat deze misschien dood langs de weg zou kunnen liggen. Dat was niet zo, want ik trof hem, met de kop in de veren, opzij van De Hullen op het gazon aan de Daan Hoeksemastraat. Dichterbij gekomen richtte het jong zich op en toen zag ik dat de bovensnavel gespleten was. Met een kapotte snavel weet je dat het einde oefening is. Gevoerd werd hij niet, waarschijnlijk omdat dit niet meer lukt en zelf kan hij niet meer in de grond boren en dan houdt het op. Waarvoor ik vreesde was kennelijk die nacht ervoor gebeurd, namelijk dat beide jongen aangereden zijn door een automobilist die ze niet heeft opgemerkt. Botte pech dus. Van zoiets word ik altijd wel een beetje verdrietig, want het kost de oudervogels ontzettend veel energie om jongen groot te brengen. En dat terwijl het al zo slecht met deze soort gaat. Eerst waren er ruim honderdduizend paartjes, maar daarvan is misschien nog maar de helft over door onder andere voedselschaarste in het Waddengebied en het verloren gaan van geschikte locaties op het platteland. Door nood gedreven zijn ze meer in stedelijk gebied terechtgekomen, maar zijn daar door hun kwetsbaarheid een stuk minder succesvol dan de Putter