Donornier doet het na veertig (!) jaar nog steeds super

‘De dokter zei tegen m’n moeder dat ze niet zo moest zeuren, was toch leuk zo’n dikke baby’

HAULERWIJK – Nee, er hangen geen ballonnen in de huiskamer van Grietje Drenthe – van Zonneveld (62), geboren en Roden en al heel lang woonachtig in Haulerwijk. De stoel is ook niet versierd en er komt geen gebak op tafel. Tóch viert ze binnenkort een heel bijzonder jubileum. Ze heeft straks namelijk al veertig jaar dezelfde donornier. ‘Ik geloof dat ik recordhoudster van Groningen ben en ook landelijk hoog sta. Een jubileum dus. En weet je wat nou mooi is? Dat die nier het nog steeds geweldig doet’.

Grietje lacht altijd. Ze staat bijzonder positief in het leven. Ze koestert wat ze heeft. Ze is dankbaar dat ze leeft en probeert vooral te genieten. Het had namelijk, zo beseft ze zich heel goed, heel anders kunnen zijn. ‘Ik kwakkelde al als baby. Mijn moeder voelde instinctief aan dat er iets niet in orde was, maar werd toch afgepoeierd. De dokter bij het Kleuterbureau in Roden bijvoorbeeld, zei gewoon dat mama niet zo moest zeuren. Vrouwen wilden graag dikke baby’s en die had ze. Ze is toen huilend naar huis gelopen’, zegt Grietje. Moeder had echter wel gelijk. Toen Grietje twee jaar oud was, lag ze voor het eerst in het ziekenhuis in Groningen. Twee jaar later hield ze een bed in Assen bezet en op haar twaalfde lag ze in Amsterdam. Daar ontdekte men dat de nieren van Grietje kapot waren. Bovendien was er die boodschap. Die mededeling die haar moeder opnieuw tot tranen toe beroerde. Grietje namelijk, zou niet ouder worden dan hooguit twintig jaar. ‘Het was een simpel verhaal. De urineleiders bleken te nauw n de urine liep dus terug. Dat gaat ontsteken en zo zijn de nieren kapot gegaan. Vergiftigd. In die tijd was de medische wetenschap lang niet zo ver als nu. De dokter in Amsterdam kreeg overigens bijna gelijk. Toen ik twintig werd, raakte ik in coma. De kunstnier bood uitkomst. De machine nam het werk van de nieren over en ik was eerst weer gered. Duidelijk was wel dat ik een donornier moest zien te krijgen. Maar ja, wie had destijds een donor codicil?’

Toch kwam er een nier. In 1977. Op vrijdag kreeg Grietje de nier van een meisje, op maandag moest ie er echter al weer uit. ‘De nier was meteen gaan stollen, hard geworden dus. Was ik weer een jaar veroordeeld tot spoelen met de machine. Ondertussen kreeg ik al tassen vol medicijnen. Echt niet te geloven wat we destijds allemaal moesten slikken.’ Een jaar na het avontuur met de donornier, ging de telefoon in Haulerwijk. Het ziekenhuis. Of ze meteen wilde komen, er was een nier. ‘Ik weet nog dat ik vertelde dat ik dit niet van plan was. Gelukkig was mijn man Warmold in de buurt. Hij pakte de telefoon uit mijn handen, riep dat we al al onderweg waren en sleepte me naar het Academisch.’ Daar kreeg Grietje de nier van een man. Een grote nier. Een topnier. ‘En ja, ik weet van wie. Dat heb ik toevallig gehoord. Net voordat de narcose haar werk deed, hoorde ik een zuster roepen ‘ komt er aan per helikopter. Man, Heidelberg. Motorongeluk.’ Daarna was ik weg en werd ik wakker met zijn nier. Bijzonder hè. Deze nier racet nog steeds als een malle hoor. Vanaf de eerste seconde.’

Grietje lacht. Maar achter die lach zit ook een minder vrolijk verhaal. Een verhaal vol pijn vooral. ‘De medicijnen. Ik heb al veertig jaar prednison. Puur vergif. Grote hoeveelheden ook, dan wordt vandaag de dag niet meer voorgeschreven. Dat medicijn sloopt je lichaam, vernielt je botten. Ik heb daarom al twee kunstheupen en een nieuwe knie. Ik heb elke dag pijn. Ontzettend veel pijn. Je went er echter aan. Mijn pijngrens ligt hoog. En bovendien: ik kan wel gaan zitten huilen en klagen, daar wordt het niet anders van. Natuurlijk zijn die momenten er wel eens, Warmold helpt me er altijd wel weer bovenop.’

Warmold is haar man. Ze ontmoette hem op de dialyseafdeling van het ziekenhuis. Ook hij kreeg een donornier. Al verschillende zelfs. ‘Ik zag ineens een leuke man liggen. Was Warmold. We werden verliefd en dat is nu nog zo. We voelen elkaar aan, weten wat we doormaken. Maar: we zijn ook compleet verschillend hoor. Wat we gemeen hebben is dat we beiden van het leven genieten. Dat we welk moment aangrijpen. We gaan uit eten, we doen andere leuke dingen. Elke dag is er weer één, een geschenk’, zegt Grietje, die ook gewoon alles eet. ‘Oh ja hoor. Zoutloze dingen en zo, daar moet je mij niet mee aankomen. Wat betreft het bloed zijn we gezond, dus kunnen we ook gewoon eten. En het moet dan wel een beetje smaken, toch?’

Grietje slikt dertien tabletten per dag, haar man nog eens drie extra. Het is gewoonte geworden, net als de pijn. Ze werd al 27 keer geopereerd, Warmold twee keer minder. ‘Ik heb de dood in de ogen gekeken. Ik ben dankbaar dat ik er ben en samen met Warmold maak ik er wat moois van. Ik vermaak me wel. Vanwege het feit dat ik altijd ziek was, ben ik amper naar school gegaan en heb ik nooit gewerkt. Ik heb mijn kennis via de televisie opgedaan. Wat ik doe? Ik doe iets bij Sinnehiem en doe mee aan heel veel prijsvragen. Er wordt een slagzinnetje gevraagd, of simpelweg het antwoord op een goede vraag. Maak ik dan een heel werkstuk van. En dat heeft me al zeker zestig prijzen opgeleverd. Zie het als een hobby, net zoals ik een cursus Engels gevolgd heb en coupeuse ben. Ik sport eens per week en ben hulp-juf geweest. Alles beter dan zielig, klagend op de bank. En we hebben een hond. De derde nu. Een Boomer. Echt een schatje hoor. Als ik huil, springt hij bij me op school en likt hij de tranen van mijn wangen. Je deelt echt lief en leed met zo’n beestje.’

Grietje en Warmold hebben een zoon. Robin heet hij, ondertussen dertig jaar. Geadopteerd, geboren in Seoul (Zuid Korea) ‘ Het is ons ten zeerste afgeraden aan kinderen te beginnen. De kans dat het kind niet in orde zou zijn, zou nogal groot zijn. We wilden echter zo graag. Is dus Robin geworden. Zijn ouders hadden al een kind en konden niet voor hem zorgen. Nadat we eerst vooral tegenwerking ondervonden – we zouden als patiënten niet voor een kind kunnen zorgen- was het na een traject van jaren dan eindelijk zover. We konden zelf niet naar Korea, en dus drukte een vrouw me Robin op Schiphol in de armen. Drie maanden oud was hij. Zijn echte voornaam is Soo Kook, maar Robin is een echte Nederlander. Wij zijn zijn ouders en de drang om te zoeken naar zijn roots heeft ie niet zo. Robin is het beste wat ons is overkomen. Hij woont samen, is ontzettend lief en bezorgd. Geweldige jongen, echt waar.’ Als het over Robin gaat, gaat het ook een beetje over de professoren van het UMCG. ‘Aan die mensen hebben we heel veel te danken. Zij hebben zich ook hard gemaakt voor ons. Ze schreven brieven en overtuigden instanties van het feit dat we gewoon een kind op konden voeden. ‘Dat kind hoeft toch niet aan de dialyse’, schreef een professor eens aan de Kinderbescherming. De medewerkers van het ziekenhuis zien we als een soort van familie. Geweldige mensen allemaal. Ze hebben al heel veel met ons te stellen gehad de afgelopen kwart eeuw.’

Hoewel de nier van Warmold wat sputtert op het moment – ‘hopen maar dat het wat meevalt’- ziet Grietje uit naar de paasdagen. ‘ Ach, gezellig. Nee, ik neem geen eieren. Vroeger was dat echt gebruikelijk. Warmold bijvoorbeeld, kwam uit een groot gezin. Daar lagen gewoon driehonderd gekookte eieren klaar. Zijn vader at er zo een stuk of dertig op. Moet je toch niet aan denken, zeg. Wil ik mijn niertje ook niet aandoen.’

Grietje gaat voor de vijftig. ‘Maar ik weet dat het ook zo anders kan zijn. Daarom ook probeer ik zoveel mogelijk te genieten. Van kleine dingen. Van Robin, van het winnen van een actie. Natuurlijk vind ik het vreselijk dat die meneer destijds verongelukte op zijn motor. Maar het heeft mijn leven gered. Ik ben blij met de nieuwe donorwet, al moet je het nooit iemand opleggen. Laat mensen vrij. Zelf ben ik uiteraard donor. Ik denk echter dat behalve mijn oren weinig meer bruikbaar is, maar toch.’ Grietje ten voeten uit. En grap, een grol, alleen maar goed nieuws. Met dank aan die supernier uit Duitsland. Dat ie het nog heel lang mag doen.