Een expositie over héél bijzondere leesplankjes

image

Geit-Zeep-Does

RODEN – In Het Scheepstra Kabinet in Roden is al enige tijd de expositie Geit Zeep Does te bewonderen; een expositie over bijzondere leesplankjes. Ieder jaar leren honderdduizenden kinderen lezen in Nederland. Door de leerplicht (vanaf 1901) wordt iedereen in Nederland de mogelijkheid geboden om te leren lezen. Maar ooit was lezen ware kunst. Dat was niet iets voor gewone mensen, maar een voorrecht voor bepaalde groepen zoals geestelijken en geleerden. Alleen zij konden het ingewikkelde schrift van de heilige boeken ontcijferen en kregen daardoor een bijzondere status. Met de invoering van het alfabet werd het schrift eenvoudiger, het lezen gemakkelijker en werd het ook steeds belangrijker.
De Grieken en later de Romeinen leerden hun kinderen losse letters. Je moest toch kunnen spellen om te kunnen lezen? Zo ontstond de spelmethode. Het leren van losse letters is echter minder gemakkelijk dan het lijkt. De namen van de letters komen namelijk niet overeen met de klanken. Aan het eind van de achttiende eeuw leek de tijd rijp voor het verbeteren van het leesonderwijs dat tot die tijd bestond uit spellen en nadreunen van onbegrijpelijke teksten. Men ging over tot klassikaal onderwijs en de woorden die geleerd moesten worden, werden niet meer gesplitst in letters maar in klanken. De klankmethode begon zijn opmars. De volgende stap was dat het leesonderwijs moest uitgaan van betekenisvolle normaalwoorden (woorden waarin de klinkers en medeklinkers hun ongewijzigde klank hebben). De woorden waren terug te vinden op een leesplankje met een letterdoosje. Met de losse letters konden de woorden gelegd worden. Voor de klas waren vaak een grote klassikale leesplank en een vertelselplaat aanwezig. Meestal hoorde bij de methode ook een aantal leesboekjes. De leesmethode werd daarnaast uitgelegd in een handleiding voor de leerkracht. Het ‘aap-noot-mies’ is voor de meeste mensen het bekendste leesplankje, maar er waren ook andere in het onderwijs te vinden. De getoonde leesplankjes in het Scheepstra Kabinet geven een indruk van de enorme variatie. Ze verschillen in woorden, in lettertypen, in taal of dialect. Ook het materiaalgebruik veranderde in de loop der jaren: van karton naar hout naar uiteindelijk plastic.

In vitrine 1 in het Scheepstra Kabinet is ‘raam-roos-neef’ te zien. In 1894 werd het eerste leesplankje door M.B. Hoogeveen gemaakt. Deze versie bestond uit twee rijen met vijftien woorden en afbeeldingen. Het verhaal gaat dat Hoogeveen dit leesplankje zelf met de hand gemaakt had en dat zijn zoontje het plankje als eerste uit moest proberen. Het eerste plankje werd kritisch ontvangen. Zo ontbrak bijvoorbeeld de ‘uu’, dus al snel ontstond een nieuwe, drieregelige versie met zestien woorden. Bij dit plankje hoorden twee ronde letterdoosjes, waarvan de grootste in het Scheepstra Kabinet aanwezig is, het langwerpige blikken letterdoosje, een handleiding, een toelichting, een klassikale leesplank en zes leerboekjes.

‘Aap-noot-mies’
In 1908 werden alle rechten en de overtollige leesplankjes van Hoogeveen overgedragen aan uitgeverij Wolters in Groningen. Zij brachten dat jaar de laatste ‘raam-roos-neef’ uit. In 1910- werd het leesplankje van Hoogeveen herschreven door Scheepstra en Ligthart en door Jetses van nieuwe illustraties voorzien, vandaar de naam ‘Hoogeveen’s verbeterde leesmethode’. In het Kabinet is de eerste uitgave van het ‘aap-noot-mies plankje’ te zien, uit 1910. Bij dit plankje zijn ten opzichte van het plankje met gat slechts de twee woorden ‘hok’ en ‘duif’ gelijk gebleven. Belangrijke kenmerken van dit plankje zijn de plaatjes van ‘kees’ en ‘bok’. Deze staan beide dezelfde kant op. Ook heeft ‘wim’ een petje op en ‘jet’ een blauwe jurk aan. De rode blikken doosjes werden vanaf 1910 gebruikt. De grote versie bevatte 47 lettertjes voor de hele plank en de kleine veertien lettertjes om de rijen afzonderlijk te kunnen leggen. Het kartonnen doosje werd vanaf 1940 bij de plankjes geleverd om in 1950 weer te veranderen in de rode blikken versie. In 1958 werd het letterdoosje geel en in 1961 werd overgestapt naar een plastic variant. In 1967 verdween het losse doosjes en zat het letterdoosje aan de leesplank vast.

In vitrine 2 staan ‘aap-noot-mies plankjes’ van 1967 tot en met 1975. In totaal verschenen tien verschillende versies van deze plankjes. Soms waren de verschillen minimaal, bijvoorbeeld een net iets langer streepje bij ‘wei-de’ en ‘scha-pen’, en soms duidelijker zoals ander materiaalgebruik of een ander lettertype. Ook werden een aantal plaatjes iets moderner. In de laatste plastic versie van 1967 zijn de kleren van ‘wim’ en ‘jet’ veranderd, staan ‘kees’ en ‘bok’ van elkaar af en zit het letterdoosje aan het plankje vast. Ook in het Scheepstra Kabinet: een zilveren versie van ‘aap-noot-mies’. Vanaf de zestiger karen verdween de leesmethode ‘aap-noot-mies’ langzaam maar zeker uit de Nederlandse klaslokalen. De woorden en afbeeldingen kregen echter een tweede leven op snoeppotten, dienbladen, placemats, puzzels en kopjes. Hierdoor is het idee ontstaan dat bijna alle Nederlandse kinderen hebben leren lezen met dit leesplankje. Dat dit niet het geval is, is te zien in de overige vitrines in het Scheepstra Kabinet.

In vitrine 3 ziet men het plankje van Colenbrander. Deze onderwijzer en M.B. Hoogeveen werkten beiden op een lagere school in Deventer en brachten vrijwel tegelijk een leesplankje uit. Maar lijkt het ‘aap-noot-mies’ op ‘geit-zeep-does’ of juist andersom? In verschillende onderwijsbladen werd Colenbrander schuldig bevonden aan plagiaat. Colenbrander verweerde zich hier nooit tegen, wat Hoogeveen als voldoende bewijs zag. Tentoongesteld zijn de eerste en derde (en laatste) uitgave van het leesplankje van Colenbrander. De eerste versie uit 1902 is meer een leesplaat. De vertelselplaat zit namelijk boven de leesplank. In de versie van 1910 vindt men de vertelselplaat op de achterkant. Het belangrijkste verschil tussen de plankjes is de hond die anders getekend is. Het plankje van Colenbrander is het enige leesplankje zonder mensen.
Vitrine 4 staat in het teken van ‘Het plankje van Becker’. De fraters van Tilburg deden veel aan het ontwikkelen van katholieke onderwijsmethoden en het schrijven van schoolboekjes. Zij hadden ook een eigen drukkerij en uitgeverij. Zij brachten in 1905 de eerste versie uit van ‘aap-roos-zeef’, gebaseerd op het plankje van Hoogeveen. Het plankje was ontwikkeld door frater Becker. Omdat veel katholieke scholen hun leermiddelen bij het RK Jongensweeshuis bestelden, werd er vaak gesproken over het Katholieke leesplankje. Dit is onjuist. Dit plankje met neurale woordjes werd ook door openbare scholen afgenomen. Wel stonden er in de leesbokjes zinnetjes met een katholieke tendens.

Vitrine 5 laat ‘Het plankje van Kooreman’ zien. In 1976 verscheen ‘Letterstad’, ontworpen door een werkgroep Onderwijsstad onder leiding van Kooreman. Het leesplankje onderscheidt zich door de opvallende kleurvlakken. Het gebruik van plaatjes zou namelijk een negatief effect hebben op het leren lezen, omdat kinderen dan minder op de letters zouden letten. Er werd veel nadruk gelegd op het samenvoegen van klanken tot woorden. Hiervoor werd gebruik gemaakt van een plattegrond van Letterstad met straatnamen als Klankplein, Medeklinkerstraat en Tweetekenklankstraat. Er bestond ook een voorbereidend leerpakket voor kleuters, genaamd Klankdorp. Spelenderwijs leerden kleuters door woorden te ‘hakken’ en te ‘plakken’. Voor de oudere klassen was dat de methode Spellingland ontwikkeld. Het leesplankje was tegelijk de deksel van de letterdoos met aan de achterzijde richels waar zelf woorden gemaakt konden worden.

Vitrine 6 laat leesplankjes in het dialect zien. Een leesplankje was vroeger bedoeld om kinderen te leren lezen in het Algemeen Beschaafd Nederlands. Het dialect leerden de kinderen thuis en op straat. Sinds plaatselijke dialecten dreigen te verdwijnen, verschijnen er steeds meet leesplankjes in het dialect. Hierbij gaat het vaak niet meer om normaalwoorden, maar om typische woorden uit de streek. Er zit dus geen methode achter. In het kabinet wordt het Zeeuwse leesplankje getoond. Deze werd in 2001 uitgebracht ter eren van een tentoonstelling over leesplankjes in een museum in Sint-Annaland.

Vitrine 7 toont het Koninklijke plankje van prinses Amalia. In 2004 vond in het Stedelijk Museum in Zwolle de opening van de tentoonstelling ‘Honderd jaar Ot en Sien’ plaats. Prinses Maxima verrichtte de openingshandeling en werd vervolgens verrast met een handgeschilderd plankje voor haar dochter Amalia. De Groningse schilderes Joyce Eijkhout maakte het leesplankje in opdracht van uitgeverij Wolters-Noordhoff. Er zijn slechts twee exemplaren van verschenen. Het ene hangt aan de muur op de Eikenhorst in Wassenaar, het andere is in bezit van Noordhoff Uitgevers en is nu in het Kabinet tentoongesteld. Koningin Wilhelmina ontving eerder al eens een speciaal ‘aap-noot-mies’ plankje voor haar toen 5-jarige dochter Juliana.
In vitrine 8 staat het Indische/Indonesische leesplankje en in vitrine 9 is het Hebreeuws leesplankje te vinden. Dit leesplankje uit 1955 werd gemaakt door L. Slagter. Het is een moderne versie van het plankje uit 1930 van S. Engelsman. het leesplankje is que idee en vormgeving geheel gebaseerd op het ‘aap-noot-mies’’ plankje.

Het Scheepstra Kabinet is hele jaar op werkdagen geopend (maandag tot en met vrijdag) van 13.30 uur tot 16.30 uur.  Tot en met 1 november ook in de weekenden geopend van 13.30 uur tot 16.30 uur. Het Scheepstra Kabinet is gevestigd aan de Schoolstraat 1 in Roden. Zie ook www.scheepstrakabinet.nl.