‘Een van de eerste woorden die ik ze leerde was ‘bladhark’

Eritreeërs nieuwe ‘boegbeelden’ van De Dobbe

RODEN – Het is maar goed dat Geert Wilders lang niet altijd z’n zin krijgt. Want dan waren er al lang en breed hekken om Nederland geplaatst. Was er sinds een jaar of wat geen vluchteling meer ons land binnengekomen. In dat geval had De Dobbe in Roden het ook moeten stellen zonder Philemon (28) en Samuel (39). Twee mannen uit Eritrea. Ze vluchtten en belandden na nogal wat omzwervingen in Roden. Ze studeren en slechts een mislukte inburgeringscursus houdt ze nog af van een langer verblijf in Roden. Behalve studeren doen ze vrijwilligerswerk bij de Dobbe. Met ontzettend veel plezier én onder leiding van Tinus Venema. Tinus leert ze alles. Ook de Nederlandse taal. De Krant ging langs bij de Dobbe. Over twee geweldige vluchtelingen die zich heel graag verdienstelijk willen (blijven) maken.

Och ja. Het is er nog steeds. Dat vooroordeel: dat zij alles (bijna) gratis krijgen, en wij alleen maar gekort worden. Dat zij snel een huis kunnen huren, en wij daar jaren op moeten wachten. En dat, zo zegt men, terwijl men hier niets komt doen. Ze moesten alleen ‘eventjes’ vluchten voor een oorlogje in hun land. Ze liggen hier wat op de bank, vallen onze vrouwen en kinderen lastig en maken ons geld op. Tsja. In Roden, zo vernemen Philemon en Samuel, denkt men er gelukkig veel genuanceerder over. Hier beseft men zich dat ze niet zomaar gevlucht zijn. Bovendien laten ze zien dat ze iets terug willen doen. ‘Het is voor ons een behoorlijk probleem om vrijwilligers te werven’, vertelt Dies Verschuure, voorzitter van Stichting De Dobbe. ‘Dat is een maatschappelijk probleem, inderdaad. Via Vluchtelingenwerk en Simone Tiehuis in het bijzonder deed deze optie zich voor. Zij wilden iets doen, wij konden heel goed wat extra handen gebruiken. Natuurlijk waren we voorzichtig. Gaat dit wel werken? Ze spraken gebrekkig Nederlands en Tinus moest wel met ze kunnen werken. Dus spraken we af dat we zouden beginnen en als het niet ging, dan namen we afscheid. Even goede vrienden. Ondertussen kan ik echter zeggen dat het een schot in de roos is. Het zijn twee geweldige mannen die er met Tinus en andere vrijwilligers voor zorgen dat het hier altijd netjes is. Binnen en buiten. Ze zijn er altijd, laten nooit verstek gaan en bovendien lijken Philemon, Samuel en Tinus welhaast de beste vrienden. Het is geweldig om te zien hoeveel plezier ze samen hebben en om te ervaren hoe snel ze beter Nederlands zijn gaan spreken. Dit is voor iedereen een heel goede ontwikkeling’, zegt Verschuure. Hij zit vanaf het begin van ‘De Dobbe nieuwe stijl’ het bestuur voor. Heel lastig is dat overigens niet, want behalve hij bestaat dat uit Hans Dales en Anneke van der Steeg. ‘Aanvankelijk was een klein bestuur een bewuste keuze, nu willen we toch wel graag versterking. We worden zelf ook steeds ouder. Er rust best veel op onze schouders. Ik moet er niet aan denken als iemand weg zou vallen. Verjonging? Ja, heel graag. Maar in eerste instantie is een breder bestuur, ongeacht de leeftijd dus, ons doel. We redden ons nu wel, ook met dank aan vrijwilligers dus. Maar de basis is wankel.’

De Dobbe werd een jaar of vier geleden een soort van vergaarputje van clubs, verenigingen en instellingen die na het sluiten van de Boskamp en Vasalis zonder onderkomen zaten. Er werd een stichting opgericht, met dus Verschuure aan het hoofd. De gemeente staat voor het groot onderhoud en energie én krijgt de huurinkomsten. ‘Wij verdienen wat geld aan de drankjes die we aan de bar verkopen. Dit kan mooi zo, al maak ik me wel wat zorgen.’ Die zorgen zitten ‘m in het feit dat het Alfa College dreigt te stoppen. Zij zijn onze beste huurder, dat wil zeggen dat ze veel huren en dus zorgen dat het allemaal uit kan. We proberen via de lobby, via open dagen en het verspreiden van programmaboekjes andere partijen te interesseren hier naar toe te komen. Ander probleempje is dat veel clubs dan graag gebruik willen maken van de grote zaal. En die is zeker in de avonduren al bezet.’ Klaverjasclubs, koren, Muziekvereniging Oranje, Feniks, Orpheus, toneelverenigingen, knutsel- en creatieve clubs, een handwerkclub en computerclubs. Ze maken net als biljartclubs en een groepje liefhebbers van kunstgeschiedenis gebruik van de Dobbe. Het is volle bak. En dan te bedenken dat ook MV Noordenveld eerst nog gebruik maakte van het gebouw. ‘Om de grote zaal nog ietsje uit te breiden, hebben we een deur dichtgemaakt en een trap verwijderd. Scheelt weer iets. Maar goed, we zouden best wat meer ruimte willen hebben, haha’, lacht de voorzitter, die zijn bezoek meeneemt naar die grote zaal. Niet echter voor Tinus zijn zegje heeft kunnen doen. Tinus werkte voorheen bij Post NL en is nu verantwoordelijk voor het onderhoud én begeleidt dus de twee vrijwilligers uit Eritrea. Gevraagd naar zijn ervaringen, beginnen zijn ogen te glinsteren. ‘Ze eten uit mijn hand’, trapt Tinus af. ‘We hebben een goede klik. Het zijn schatten van jongens die bovendien de handen echt uit de mouwen willen steken. Je hoeft ze maar één keer iets voor te doen of uit te leggen en ze pikken het wel op. Ze maaien het gras, ze maken schoon; ze doen echt van alles. Ze zijn hier elke woensdagmorgen en tegenwoordig helpen ze ook al donderdagavond achter de bar. Vinden ze gewoon leuk. Ze houden zich aan de afspraken, komen nooit te laat of laten het op een andere manier afweten. Je merkt dat ze het echt leuk vinden. Zo zie je maar, scheer vluchtelingen niet over één kam. Doe dat gewoon niet, want dit zijn echt toppers zoals er ongetwijfeld veel meer van dit soort lieve mensen zullen zijn. Wat leuk is, is wel dat ik vanaf het begin gezegd heb dat we Nederlands praten. Althans: zoveel mogelijk. Het eerste woordje dat ik ze leerde was bladhark. Moet je ze straks maar eens horen praten. Geweldig hoor, er is ook in dat opzicht in korte tijd veel progressie geboekt.’

In de grote zaal zijn ze druk aan het werk. Er wordt gedweild. Echt gedweild. Toch wat verlegen horen ze wat er staat te gebeuren. Dat ze op de foto moeten. Als blijk van waardering. Met plezier staan ze – dweil in de hand- niet veel later voor de lens van de fotograaf. ‘We zijn’, vertellen ze in inderdaad verstaanbaar Nederlands, ‘nu twee jaar in Nederland, waarvan de laatste zeven maanden in Roden. We hebben al heel wat van Nederland gezien. We zijn via Ter Apel, Drachten, Nijmegen, Vledder en Arnhem hier terecht gekomen. We studeren om te slagen voor het inburgeringsexamen. Best moeilijk hoor, zeker de Nederlandse taal.’ Roden beschouwen ze als iets moois. ‘ Heel mooi dorpje’, zeggen ze. ‘De bussen rijden altijd op tijd, de mensen zijn heel aardig. Nooit zijn we gediscrimineerd. We hebben niet het gevoel dat we niet welkom zijn, integendeel. Tinus is een heel aardige meneer. We leren veel. Bladhark ja, haha. En schoffel. Moeilijke woorden voor ons hoor.’ Philemon hoopt in augustus te beginnen aan een opleiding in de techniek, Samuel wil graag zijn oude beroep weer oppakken: auto- en motormonteur. ‘ Wat ons hier wel opvalt, is dat er nog maar weinig met de handen gewerkt wordt. Iedereen zit achter de computer. Heel anders dan in ons geboorteland, daar deed je alles met je handen. We studeren, zijn in de Dobbe en op zondag gaan we naar de kerk in Groningen. Als het weer meewerkt, gaan we op de fiets. En anders pakken we de bus. En als we uit de kerk komen, eten we telkens een broodje shoarma.’

Ondertussen worden de dweilen weer gepakt en gaan ze verder. De centen van de baas zijn immers niet van blik. Mooie mensen, Philemon en Samuel. De Dobbe koestert ze. En terecht.