Hamvraag

Minikul (voor 29.12.15)

‘Een ode aan de nieuwsgierigheid’, zo worden door deskundigen de bijna 12.000 vragen genoemd die door ons Nederlanders – u ook? – aan de wetenschap werden gesteld om daar via hun gedegen onderzoek antwoord op te krijgen. Ze worden door de opdrachtgever, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gebundeld voor het opstellen van een Nationale Wetenschapsagenda die daar antwoorden en vooral oplossingen voor moet bieden. Een nobel streven, dat staat buiten kijf. Of het daadwerkelijk zoden aan de dijk zet, problemen oplost, is de vraag, maar je moet ‘ergens’ een begin maken.

Er waren veel vragen over gezondheid. Zoals: Wat is de kwaliteit van het leven? Meer specifiek gingen er veel vragen over Alzheimer (die het meest) en uiteraard over kanker maar ook over overgewicht. De natuur kwam in de vraagstelling eveneens veel aan bod, zoals de klimaatverandering en in aansluiting daarop: Hoe wapenen we ons tegen natuurrampen? Wat is de toekomst van Moeder Aarde? Hoeveel mensen kan die duurzaam huisvesten? Is er daarbuiten ook leven? Andere mondiale onderwerpen waren vragen over Oorlog & Vrede, terrorisme, de vluchtelingenstroom, kortom zaken die ons nu continu beangstigen. Hoe het onderwijs er in de toekomst uit moet zien, is eveneens een onderwerp dat veel vraagstellers bezighoudt. Met al deze vragen gaan speciale wetenschapscommissies nu aan de slag. Nogmaals: Of het echt wat oplevert, is vers twee. Maar het uitgangspunt van wat door de overheid misschien ietwat overdreven ‘De inspiratiebron voor wetenschappers’ wordt genoemd is ook, dat de verbeelding van vooral jonge mensen hiermee wordt geprikkeld en hen moet aanzetten tot na- en doordenken.

Daar kan ik me wel in vinden. Laat de wetenschap hier nu maar mee aan de slag gaan; ze hebben geloof ik tot 2020 de tijd om er een mooi verhaal voor ons van te maken. En vooral: om met doeltreffende oplossingen te komen. Ik, in wezen jongen van de straat die, weliswaar niet cum laude maar tóch, de Academie van het Leven nu zo goed als doorlopen heeft, houd me tot dan maar aan de tegeltjeswijsheid in de WC van wijlen mijn schoonmoeder: ‘Wie in zijn eigen tuintje wiedt, ziet bij de buurman het onkruid niet.’ Als elke buurman dat doet, zijn we met elkaar al een stuk verder. Maar zo simpel zijn oplossingen voor wereldproblemen niet. Maar waaróm eigenlijk niet? Dat zou de hamvraag kunnen, nee: móeten, zijn. Maar die werd niet gesteld.

Henk Hendriks