Harry Muskee kwam geleidelijk los van de blues

TERUGBLIK

Tekst: Coen de Jonge

Dit jaar zou Harry Muskee oftewel Cuby, die 10 jaar geleden overleed, 80 jaar zijn geworden. Coen de Jonge (jazzjournalist uit Peize) had veel contact met hem in zijn laatste levensfase, zowel in Drenthe als op Curaçao. Hij werkte enkele gesprekken uit voor bladen als Luister en Jazzism; ook maakte hij met de aimabele blueslegende enkele radioprogramma’s.Veel van dat materiaal kon toen niet worden gebruikt; hieronder zijn wat fragmenten bijeengebracht, als een soort In Memoriam.

Vijf jaar geleden werd Cuby’s 75ste verjaardag gevierd met een tentoonstelling in het Drents Museum te Assen en een enorm boek. Ook werden al zijn platen toen in een cd-box verzameld: Cuby + Blizzards: Alles Uit Grolloo.

Deze keer kwam er op het terrein achter de Ondernemersfabriek Assen een heuse musical (Muskee – So Many Roads) met zanger Erwin Nyhoff, een theatervoorstelling Groeten uit Grolloo op de camping van de Boerhaarshoeve, een speciale tentoonstelling (Harry Spreekt!) in het C+B Museum en ook nog een dubbelalbum: Grolloo Blues met live-opnamen.

Die albums van de box Alles uit Grolloo (vreemde titel, er werd geen enkele plaat in dat dorp opgenomen) klinken nog voortreffelijk, hoewel er ook platen tussen zitten waarvan Muskee later zei dat hij er niet trots op was. De stem van Cuby is altijd prominent aanwezig, en je kunt mooi meemaken hoe zijn ‘Drengelse’ tongval langzamerhand veramerikaniseert. Tegelijkertijd is te merken dat hij zijn ‘over the top’-zangstijl in de loop van de jaren geleidelijk neutraliseerde. Ook kwam de muziek hoe langer hoe verder van de strakke bluesschema’s te staan.

Eerst jazz, toen blues

In 2011 werd er in Grolloo (in de aanloop naar de 70ste verjaardag van Muskee) al een bluesfestival georganiseerd. Hij trad er met de Blizzards zelfs nog twee maal op – met moeite, niet lang daarna overleed hij. Vanaf dat moment wordt Cuby gekoesterd als een soort bluesheilige van Drentse bodem, tot verdriet soms van fans van gitarist Eelco Gelling, die zijn stempel op veel stukken zette.

De Drentse middenstand (en politiek) ziet ook veel in het imago van Drenthe als dé bluesprovincie. De Hunebed Highway kreeg die titel niet voor niks. Alsof de Drenten allemaal verknocht zijn aan de blues. De zanger dacht daar tijdens onze gesprekken heel anders over.

Harry Muskee (1941-2011) stond bekend als de bluespionier van ons land. Maar hij begon als jazzbassist en was later vooral gek van klassieke muziek. Gesprekken met hem waaierden breed uit over uiteenlopende onderwerpen. Over jazz en blues, over klassiek, over een dichter als Gerrit Achterberg – Harry studeerde namelijk een poosje MO-Nederlands. Maar de omhoogstrevende medestudenten bevielen hem niet: ‘teveel keurige witteboordenjongens’.

Weinig gevoel voor blues in Drenthe

Een eerste gesprek in 2009: Hotel Erkelens te Rolde. Een handige plek om over muziek te bomen, zij het dat nogal wat passanten luidruchtig lieten merken dat ze de zanger ook kenden. Muskee liet zich er niet door afleiden. ‘Ik geloof er niks van dat hier in Drenthe zoveel bluesfans wonen. Dat is een beeld dat vaak in de pers wordt opgehangen, maar dat is niet waar. Dat komt ook door het verhaal: daar is Muskee begonnen, groeten uit Grolloo en zo. Hij was de eerste, dus ze zullen in Drenthe wel veel gevoel voor de blues hebben. Klopt niks van. Als wij hier in Rolde spelen komt er hooguit honderdvijftig man. Als die zanger Jannes hier optreedt staan er drieduizend. Wij trekken ook veel meer publiek in Groningen, in Friesland of in het Westen. Niet hier.’

Harry Muskee, alias Cuby van The Blizzards. Iedereen kende hem als vooraanstaande bluesman, maar hij wist ook deksels veel van klassieke muziek en begon zijn muzikale loopbaan als jazzmuzikant. De bluesveteraan (1941) had op grond daarvan een helder oordeel over het toenmalige North Sea Jazz Festival. North Sea Jazz? Dat is eigenlijk een verkapt popfestival geworden. Paul Acket (de grondlegger) zou zich in zijn graf omdraaien als hij wist wat het nu geworden is.’

Handgemaakt

‘Een klassieke vooropleiding in een of andere vorm heb ik niet gehad. Welnee, anderhalf jaar gitaarles, dat was het. Ik kocht of kreeg dingen waar ik vervolgens naar luisterde. Zo gaat het nog steeds. Ik ben vooral dol op muziek die nog handgemaakt wordt. Ik heb ook niet veel op met synthesizers. Hier en daar kunnen die wel als aanvulling gebruikt worden, maar voor de rest pruim ik ze niet zo. Het moet voor mij ook concreet ergens vandaan komen. Oude volksmuziek, uit Griekenland of de Farao-eilanden, de blues natuurlijk, authentieke Afrikaanse muziek – muziek die een verhaal vertelt.

We hadden toen in Assen de Oldfashioned Jazzgroup, waar ik als bassist ben begonnen. Dat was traditionele jazz, dixieland. Daar ben ik op een gegeven moment op afgeknapt. We speelden altijd – met alle respect – voor hockeyverenigingen en andere VVD-achtige bijeenkomsten. Dat publiek beviel me echt niet. Na die tijd ben ik in de bluesmuziek gaan spelen, daar wilde eerst niemand naar luisteren. We waren in die tijd redelijk opstandig, zoals de jeugd altijd wat tegen de gevestigde orde is. Dat is iets van ages and ages.

Ik ben dus wel met jazzplaten begonnen. Met Louis Armstrong eigenlijk! De Hot Fives en Hot Sevens. Je kunt altijd meteen horen dat hij uit New Orleans komt, net als de trompettisten Wynton Marsalis en Terence Blanchard. Die heb ik nog eens in New York gezien met een sextet, fantastisch.’

Blues verdween uit de Delta

Harry Muskee hield wellicht tot verrassing van velen ook zielsveel van klassieke muziek. Vond hij dat die klassieke componisten in de kern dezelfde mentaliteit hebben als mensen in de blues en de jazz? Dezelfde kijkrichting?

‘Nou, ze moesten er in elk geval ook heel hard voor werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Denk maar eens aan Bach, met al die kinderen. Het ging ook bij die mensen heus niet allemaal gemakkelijk, ook niet bij Mozart. Schulden, geldproblemen. Er was natuurlijk wel een bepaalde discrepantie tussen de broodopdrachten en de muziek die ze echt wilden maken. Dat zie je bij de blues singers ook wel, die moesten kiezen tussen the devil’s music en de muziek van de kerk, de gospel. Soms liep het ook door elkaar heen.

‘Net als in de klassieke muziek hebben de mensen in de blueswereld het op dit moment moeilijk, behalve misschien een kleine top die goed aan de bak komt. Voor de rest wordt er in Amerika en zeker in de Delta bijna geen blues meer gespeeld. Je moet het daar met een lantaarntje zoeken. En de mensen die er wel mee bezig zijn, zijn grotendeels blank. Als je naar de Rhythm & Blues-night ging in de Oosterpoort te Groningen zag je ook bijna geen zwarte.

‘Op Curaçao, waar ik een huis heb, is de blues ook nauwelijks aan de orde. Ze zijn daar veel meer op Latijns-Amerika en de Caribische gebieden gericht. Op de een of andere manier past het daar het niet. Ik ga op Curaçao vaak naar Asia de Cuba toe, daar zit een geweldig ensemble dat polyritmische muziek speelt, het klopt allemaal, er zingt een Venezolaanse zangeres bij die er niet uitziet maar wel from the heart zingt. Maar het is toch heel anders dan als je het over blues of jazz hebt.

‘De meeste bluesmensen hebben nooit geld aan de kerk verdiend, ze wilden natuurlijk ook ontsnappen aan hun milieu. B.B. King wilde kost wat kost van de plantage af. Een hartstikke gezellige en lieve man, ik ken hem goed. Maar het is wel een geoliede machine geworden, een beetje Kansas City-bluesachtig. Daarom vind ik Howlin’ Wolf en Muddy Waters toch interessanter, daar hoor je nog het ongepolijste. John Lee Hooker idem. Die hangen bij mij eerder op de slaapkamer dan Jantje Smit. Maar het ging die bluesmensen in de eerste plaats toch ook om geld, ze moesten leven, en dat gold voor die klassieke componisten volgens mij net zo. Ik ben ooit eens naar de streek gegaan waar Bach heeft gewoond, Weimar en Ansbach, Heel grappig om dat eens allemaal te bekijken. Kijk, dat doe ik graag, dat leven op die manier eens achterna te reizen. Heb ik in de Delta ook gedaan.’

Geen stemtraining nodig

Nog zo’n gesprek, op Coral Estate Curaçao, 2010.

In 2009 was er een nieuw album van Cuby & Blizzards uitgekomen, Cats Lost – achteraf zijn laatste. Een verrassend project dat alleen maar nieuw werk bevatte. Maar hij had een jaar later al teksten klaar voor een volgend project. Ook was het opmerkelijk hoe helder en doordringend de stem van de oude Cuby op Cats Lost klonk. Het leek wel of hij die met veel training en zorg in conditie hield.

Muskee: ‘Ik onderhoud die stem helemaal niet…. Vocaliseren? Welnee… Dat komt ook omdat ik groot geworden ben in die kroegen. Hier in Drenthe waren wel dertig dancings, en je speelde dan voor lui die dansten. De jongens hadden wel goeie versterkers, maar een PA-systeem of goeie speakerkasten had je weer niet. Ik moest dus altijd hard zingen om er overheen te komen. Nu hoef ik niet zo hard meer, en nou kan ik de stem makkelijker gebruiken. Verder heb ik nooit echt gerookt, hoogstens “social” in de kleedkamer of in een kroeg voor de gezelligheid. Maar thuis rookte ik nooit. Sterke drank, daar kom ik de laatste zestien jaar ook al niet meer aan. Kan ik helemaal niet meer tegen. Ach, af en toe een biertje… maar iets sterkers kan ik niet meer aan. Ik kreeg last van mijn lever, en toen gaf de arts me in bedekte termen een advies: “misschien is het verstandig om dat maar niet meer te doen…”.

Kijk, voor die tijd heb ik ook alles gebruikt wat door God verboden is, maar op een gegeven moment dacht ik: eigenlijk is dit wat te ouderwets, daar ben jij toch te slim voor. 

Maar wat mijn stem betreft: ik heb het dus moeten leren op “the hard way”. Verder is het in de blues niet zo belangrijker of de stem die avond wel optimaal is, het gaat er vooral om wie je bent. En zo hoort het ook, vind ik.

En nadoen heeft geen zin, je moet je eigen ding doen.’

Elke keer een miniatuuravontuur

‘Ik vind dat nu je geen liedjes meer kunt zingen over I lost my woman of I woke up this mornin’ zoals de jongens in de Delta deden. Die problematiek is er natuurlijk altijd wel, maar in de Delta is er geen blues meer te bekennen. Je hoeft je nu ook niet meer te houden aan die twaalf maten van de traditionele blues. Dat vind ik langzamerhand toch een beetje… De Engelse bluesman Alexis Korner heeft ooit tegen me gezegd dat je dat gevoel ook ergens anders in kunt stoppen, dat je niet vast hoeft te zitten aan dat schema.

‘Hoe ik die teksten schrijf? Ik ben geen jongen die daar de hele dag voor gaat zitten. Ik heb wat losse flarden, dingen die rondspoken in mijn hoofd, en op zeker moment schrijf ik dat op. En soms gaat het dan heel snel, als er een deadline is. Het is wel elke keer weer een miniatuuravontuur – welke kant gaan die woorden op? Soms krijg je ook zo maar een prachtige vondst. Vroeger had ik ook al teksten die zich wat meer op de maatschappij richtten, maar die zijn nooit zo onder de aandacht gekomen.

Het laatste stuk van het album Cats Lost is opgedragen aan mijn vriendin Douwina; dat eindigt met “No longer beaten by the shine”. Met andere woorden, ik hoef niet meer door de booze, de moonshine te worden geregeerd. Ik verzin trouwens ook wel eens zomaar wat, zoals de tekst van My Old Jimny, de jeep die ik op Curaçao had. Dat is een song over contrabande, waarbij de douane het nakijken heeft. Allemaal verzonnen, behalve de plaatsen die erin worden genoemd.

‘Er zijn wel dingen in de huidige maatschappij die me erg bezighouden. Die ik erg vervelend vind. Wanneer houdt die ellende nou eindelijk eens op, denk ik dan, met al die mensen die over de kling worden gejaagd. En die verhuftering in Nederland, de inhoud van Low Country Blues – ik weet niet hoe die ontstaan is, dat zal de tand des tijds wel zijn, vrees ik. Misschien dat het de mensen te goed is gegaan. Verwend.’ 

Alleen klassieke muziek

Waar ze Harry Muskee ‘s nachts wakker voor konden maken? Voor klassieke muziek. ‘Alfred Brendel? Daar heb ik alle Mozart-concerten van. Ik draai in de auto eigenlijk alleen maar klassiek. Het andantino uit het Negende Pianoconcert vind ik een van de mooiste stukken op pianogebied die ik ooit heb gehoord. KV 271 is dat, geloof ik, het zogenaamde “jongemannenconcert”. Al het pianowerk van Mozart heeft altijd een grote indruk op me gemaakt. Zijn opera’s trouwens ook. Ik heb veel in Praag rondgelopen, de plekken waar Don Giovanni zich afspeelt, het huis van die familie bekeken. Salzburg heb ik ook bezocht. Het huis aan de Getreidegasse… Een enorme attractie voor de toeristen, je ziet er Japanners en wat al niet rondlopen.

‘Daar tegenover zat een hele mooie kroeg, met de naam Zum Eulenspiegel, daar heeft de vader van Mozart vaak gezeten, en hijzelf vast ook weleens, een heel mooi oud café. In Wenen ben ik ook geweest. Vlak achter de Stephansdom waar Mozart heeft gewoond, en waar hij zijn eerste opera’s heeft geschreven. Dat pand is nu helemaal gerestaureerd, ook groter gemaakt, heel leuk om dat te bekijken.’

Swing

‘Of klassieke muziek ook kan swingen? Tja, dat moet je een beetje anders benaderen. Ik denk van wel. Je moet er dan wel op een andere manier naar luisteren dan naar jazz. Kijk, jazz heeft een pulse. De bassist speelt bijvoorbeeld een stuk in vieren en dat is het dan. Bij uitvoeringen van klassieke muziek wordt bij het begin door de dirigent het tempo aangegeven, en na een poosje weet je dan ook welk tempo dat is.

‘Maar er zijn bepaalde stukken, bijvoorbeeld van Telemann, die echt kunnen swingen. Zeker als het gespeeld wordt door een topensemble als Musica Antiqua uit Keulen, dat helaas niet meer bestaat. Dat gezelschap had een buitengewone sound, ze hebben ook veel prijzen gewonnen. Die groep voerde heel veel werk van Telemann uit, en andere tijdgenoten van Bach. Telemann heeft veel van die pakkende melodietjes. Die intro’s van hem lijken soms zelfs op hardrock. Ik vond Musica Antiqua heel goed, hoewel er in de klassieke-muziekwereld zowel mensen voor als tegen waren. Ton Koopman vind ik ook fenomenaal.’

Landschappen

‘Hoe ik bij de klassieke muziek gekomen ben, is een beetje apart verhaal. We hadden bij The Blizzards ooit een manager, Jan Venhuizen, die had een platenzaak in Assen en daar zocht ik altijd naar bluesplaten. Hij heeft mij een beetje de weg naar de klassieken gewezen. Eerst via wat populaire dingen, het Eerste Pianoconcert van Tsjaikovski en zo, en daarna naar wat andere muziek. Ik heb nu van alles thuis staan, van Bartók en Skrjabin tot Bach uiteraard. Mozart zei al: “Der Mann ist kein Bach, das ist ein Meer.” Vooral barokmuziek geeft me op een of andere manier veel rust. Torelli, Pergolesi, zulke muziek draai ik toch wel veel.

‘Van mijn ouders heb ik die liefde voor klassieke muziek niet zozeer meegekregen. Mijn vader luisterde vooral naar operettemuziek en dat vond ik dan net weer te zoet. Ik pas mijn muziekkeuze vaak aan bij de landschappen waar ik doorheen rijd. In Duitsland heb ik dan Beethoven op staan, en in Oostenrijk iets van Mozart of zo. In Hongarije kies ik gauw iets van Liszt of Bartók. Die muziek kies ik van tevoren uit. In Italië op de Povlakte wil ik graag Verdi horen; die komt daar weer vandaan. Voor Cremona, waar al die grote jongens in de vioolbouw zaten, Stradivarius, Amati, Guarneri, wil ik vioolmuziek in de auto hebben.

‘Vroeger bereidde ik me op die manier dus ook muzikaal voor op zulke reizen. Ik zocht dan ook volksmuziek uit, bijvoorbeeld de fado als ik naar Portugal ging. Die muziek hoort dan voor mij bij het landschap, net zoals je in Amerika rock & roll, country en blues op de radio hoort. Ja, zo’n componist kan die muziek wel ergens op een kamertje op een heel andere plek hebben gemaakt, maar het gaat er mij meer om waar hij feitelijk vandaan komt.’

Tegengif

‘Klassieke muziek heeft voor mij toch een andere spirituele inhoud. Nou heb ik niet zoveel met het geloof, maar ik vind wel dat daardoor mooie muziek is voortgebracht. En mooie gebouwen. Als ik in een kerk kom, ga ik daar ook niet zozeer heen voor het Hogere, maar vooral om te genieten van de gebouwen van Fischer von Erlach, die zo’n beetje heel Wenen heeft volgebouwd. Zoals de Karlskirche, waar ik eens naar binnen ben gelopen om een soort rustpunt te beleven. En dan hoor je op zeker moment zo’n organist oefenen, dat vind ik dan echt erg mooi.

‘Het heeft voor mij minder met religie te maken dan met iets anders dat je in je hoofd hebt. Ik was een keer in Heidelberg. De kerk daar was wegens restauratie gesloten, het was hartstikke koud, en ze waren binnen met het orgel bezig, waarschijnlijk om iets te repareren. Ik ben toen in mijn eentje in het portaal gaan staan. Een prachtig moment, en ik werd door de muziek die ik hoorde toch een beetje verwarmd. Dat is voor mij eigenlijk de klassieke muziek.

‘Ik moet ook eerlijk zeggen dat ik het vaak draai om tegenwicht te bieden aan mijn werk met onze eigen band, die toch redelijk hard moet spelen. Daarbuiten heb ik niet zo’n behoefte aan dezelfde muziek. Verstond je “tegengif”? Nou, dat is het zeker niet, maar ik heb er buiten die concerten gewoon geen behoefte aan. Ik draai die muziek ook nooit, en in de auto heb ik alleen maar klassieke cd’s. Het zijn er niet zoveel, maar het gaat mij puur om het horen. Je ontdekt toch steeds weer wat anders, en soms luister je ook op een andere manier. Misschien beleef ik dat ook anders dan een gewoon mens, luister ik anders naar muziek. Hoe ze het spelen, hoe de sound is – want daar gaat het toch in de kern om.

‘Bach, die vind ik ook prachtig. Alleen, bij de Matthäus-Passion hoef ik al die recitatieven niet te horen, het gaat me vooral om de muziek. Die staat voorop. Dat werk kan natuurlijk wel zonder tekst maar absoluut niet zonder muziek. Als ik die koralen hoor is het voor mij al genoeg.

Ik ben ooit eens naar de streek gegaan waar Bach heeft gewoond, Weimar en Ansbach. Heel grappig om dat eens allemaal te bekijken, ook in verband met de verhalen rond Goethe en Schiller. Kijk, dat doe ik graag, dat leven op die manier achterna reizen. Ik heb ook het orgel bekeken waarop Bach in Ansbach heeft gespeeld.

‘Ik houd eigenlijk niet zo erg van kamermuziek. Maar ook niet heel erg van symfonieën. Pianoconcerten vind ik wel weer prachtig. De intro van de Krakowiak Suite van Chopin, een van zijn eerste werken, vind ik zo verschrikkelijk mooi. Dat heb ik wel eens honderd keer achter elkaar gedraaid, toen ik in een moeilijke situatie zat. Ik ken maar heel weinig mensen die van dat stuk op de hoogte zijn.’

Verschrikkelijke Jannes

Heeft hij misschien een stil ontzag voor klassieke muziek, net zoals veel anderen in pop en jazz?

‘Nou, het is eigenlijk net zoals bij de blues. Dat is ook klassieke muziek geworden. Die muziek is al rond 1890 ontstaan en is zo’n beetje de basis geworden van een aantal andere muzieksoorten.

Maar je hoort tegenwoordig zoveel onzin op de radio, vooral wat het Nederlandstalige repertoire betreft, je wordt er helemaal gek van. Ik in ieder geval wel. Wat ik eigenlijk bedoel, is dat het ook met intelligentie te maken heeft. Hoe je naar muziek luistert, wat je daarin is bijgebracht.

‘Ik beleef erg veel plezier aan het luisteren naar klassieke muziek. Ik kan daarentegen geen enkel plezier putten uit de muziek van de Toppers en zo, dat vind ik totale onzin. Dat verrijkt me niet, ik zet het zo snel mogelijk af. Daar wil ik absoluut niks mee te maken hebben. Er zit ook geen muzikaal idee achter, het enige idee is volgens mij de vraag of hun haar wel goed zit en of ze wel popiejopie zijn. Ik vind echt dat alles in de maatschappij in kwaliteit is verminderd: het onderwijs, de culturele deelname en interesses – maar ook de muziekwereld. Nu heb je hier dat hele platte repertoire waarin het woord liefde te pas en te onpas gebruikt wordt, door al die Hazes-klonen. Hier in Drenthe heb je ook een stelletje idioten dat zo zingt, die verschrikkelijke Jannes en zo. Echt, men is in dit land een stuk dommer geworden.’ (Fotorechten: Mardoe Painter. Meer van haar werk is te vinden op: https://mardoepainter.com)