Henriëtte Keizer

Geboren & getogen

‘Als we het niet weten, gaan we naar Nienoord. Heb ik een excuus om van de glijbaan te gaan.’

LEEK – Na tien jaar in Nuis te hebben gewoond, is Henriëtte Keizer sinds twee jaar weer terug in ‘haar’ Leek. En dat voelt goed. ‘Leek is net als Nuis een dorp, maar hier kun je nog anoniem zijn’, zegt ze. ‘En dat is af en toe best fijn.’

Ze groeide op in de Van Panhuyslaan, vlakbij de Van Panhuysschool. ‘Iedere dag ging ik lopend naar school. Ik mocht niet eens op fiets heen, omdat anders het fietsenhok te vol zou komen te staan’, herinnert Henriëtte zich. ‘Wel jammer, want toen ik op den duur een spiksplinternieuwe fiets kreeg, kon ik hem aan niemand laten zien.’

De herinneringen aan haar jeugd in de Van Panhuyslaan zijn verder eigenlijk louter positief. ‘Het was er heerlijk opgroeien. We speelden oorlogje in het bos achter de bult. Vriendjes en vriendinnetjes kwamen eigenlijk altijd bij ons thuis. Vanaf ons huis waren we namelijk zo in het bos. Laatst liep ik over de paden die wij ooit als kinderen bewandelden. Helaas is een groot gedeelte begroeid. Jammer.’ Dat het vroeger een andere tijd dan nu is, lijkt een makkelijke constatering. ‘Je was meer buiten, dat klopt. Honkballen, voetballen, noem het maar op. Maar toch is het niet zo dat alles veranderd is. Mijn moeder zat vroeger thuis klaar met koekjes en thee, dat probeer ik ook te doen. Waar wij vroeger de GameBoy en de Tamagotchi hadden, is er nu Netflix en zo. Het is makkelijker geworden, snap je? Kinderen kunnen makkelijker naar de telefoon of zo grijpen. Maar dat wil niet zeggen dat kinderen nu veel anders zijn als vroeger.’

Na haar basisschooltijd volgde het echte werk. De middelbare. Interesses veranderden en de dagen zagen er plotseling heel anders uit. Na schooltijd werd er niet gevoetbald, maar eerder rondgehangen. ‘Wij gingen op onze manier “hangen”. Dat ging vrij rustig hoor. Van ons hadden ze niet veel last. Roken? Nee, ik was altijd anti-roken. Ik nam zelfs pepermuntjes mee voor de anderen. Pas later raakte ik voor het eerst een sigaret aan. En ja, ik ben een tijd lang blijven roken. Slecht hè?’.

Het was de tijd van Looks in Roden en Pruim in Zevenhuizen. ‘De Breezertijd. Dat dronk iedere meid toen nog. Er was toen meer te doen voor de jeugd, dan nu het geval is.’ Om die Breezers te kunnen betalen, begon Henriëtte met een bijbaan. Bij de Edah. ‘Het geld wat ik daar verdiende, gaf ik ’s weekends weer uit. Het was een mooie tijd, met een leuk team. Vrijdags gingen we vaak op de scooter naar Roden, omdat we op zaterdag weer moesten werken. Op zaterdag gingen we dan op de fiets. Dat waren de tijden.’

‘Of er door de jaren heen veel veranderd is in Leek? Wel wat. Ik vind het persoonlijk jammer dat de scholen uit het centrum zijn. Dat geldt trouwens ook voor de Pinkstermarktkermis. Door die te verplaatsen, is het hart uit het dorp gehaald tijdens de Pinkstermarkt. Echt jammer.’ Volgens Henriëtte is ook de wegindeling door de jaren heen flink veranderd. ‘Tja, of dat zin heeft… Over twintig jaar vindt iemand anders het wiel opnieuw uit en dan gaat Leek weer op de schop. Het is nooit af.’

Henriëtte ziet de Pinkstermarkt nog steeds als hét hoogtepunt in het Leekster jaar. ‘Dat gevoel begint al van jongs af aan. Toen we nog op de basisschool zaten, deden we vaak een heitje voor een karweitje. Het geld wat we daar mee verdienden, ging op aan de kermis. Later mocht je zelf voor het eerst op fiets naar de kermis. Dat was al helemaal een belevenis. En nog weer later ging je het hele weekend op stap. In die tijd was je ook nooit brak of zo. Heel gek.’ Maar ook het feest is volgens Henriëtte veranderd. ‘Vroeger was het in het hele centrum feest. Stonden we op het terras van Max Otter te kijken naar wat er allemaal voorbij trok. Fantastisch was dat.’

Dat Henriëtte nu weer in Leek woont met haar kinderen, vindt ze heerlijk. ‘In Leek heb je alles. Het is een dorp, maar je kunt er ook anoniem zijn. Een groot dorp is het, waar je ook genoeg mensen kent. Nienoord ligt om de hoek. Als we niet weten wat we moeten doen, gaan we daarheen. Heb ik ook weer een excuus om van de glijbaan te gaan’, lacht Henriëtte. Ze vervolgt: ‘Er zijn verder genoeg sportverenigingen in de omgeving. Voor de kinderen is er dus genoeg. Voor de oudere jeugd niet, dat geef ik toe. Het resultaat is dat zij gaan hangen en soms voor overlast zorgen. Maar hangjeugd is altijd al een probleem geweest. Ook in mijn jeugd werd er over gesproken. Dat hou je toch.’

‘Wat de Leekster typeert? Dat vind ik een lastige. We verschillen bijvoorbeeld niet zoveel van Rodenaren. In Leek lijkt het alsof iedereen altijd haast heeft, maar ik weet niet of dat typisch iets van dit dorp is. Nee, ik kan je niet zeggen wat dé Leekster typeert.’ Wellicht dat Henriëtte er ooit nog achter komt. Tot die tijd blijft ze fijn in haar dorp wonen en ziet ze haar kinderen opgroeien. ‘Dit is een veilige plek om op te groeien. De kinderen hebben alle mogelijkheden hier. Ik vind het heerlijk.’