Het wordt (hard) minder


Het is een gruwel waar we allen, vroeger of later, mee krijgen te maken, aftakeling. Je houdt het niet tegen. Ik werd er vrij recent mee geconfronteerd toen ik samen met mijn kompaan Erick vogeltjes moest (mocht) inventariseren in de Noorderduinen. ”Vuurgoudhaantje” riep hij enthousiast toen we langs een groepje hoge Fijnsparren liepen. Ik stond stil en luisterde. ”Hoor je hem” zei hij toen het beestje kennelijk opnieuw zijn liedje liet horen. Helaas, ik hoorde niets.

Het was me zelf al enkele jaren eerder opgevallen dat mijn gehoor iets minder werd. Dat gebeurde tijdens een inventarisatie in de Zuidermaden. Op een gegeven moment draaide ik mijn hoofd iets en hoorde plotseling het kenmerkende snorrende, krekelachtige geluid van een Sprinkhaanzanger. Toen ik mijn hoofd een kwartslag terug draaide ebde het geluid weer weg, waarna ik weer een kwartslag maakte en ja, warempel, daar was de zang weer waarneembaar. Voor mij was het aanleiding een bezoek te brengen aan een audicien (een hoorspecialist), maar daar bleek dat mijn gehoor nog prima functioneerde. Hij kon me wel helpen om de hogere tonen beter waar te nemen, maar ik zei hem in het veld iets meer stil te staan en mijn hoofd bij tijd en wijle iets meer alle kanten op te draaien. Dat is dus nog jaren goed gegaan, heb ik mezelf aldoor wijsgemaakt, maar nu werd ik pijnlijk op mijn tekortkoming gewezen. Het is dat ik verder nog prima, zonder problemen, met mensen kan communiceren, dus twijfel ik aan een hernieuwde gang naar de audicien. Daar staat wel tegenover dat de aangeleverde resultaten van broedvogelinventarisaties hiaten kunnen gaan vertonen, iets dat ongewenst is.

Daarover is binnen de vogelorganisatie Sovon een korte discussie geweest met als uitkomst dat inventariseerders maar beter kunnen stoppen als ze niet meer optimaal functioneren. Omdat het mooi werk is om te doen zal daar door deze en gene de hand mee worden gelicht, maar dat is niet de bedoeling en bovendien val je al gauw door de mand als opvalt dat bepaalde soorten op de lijst gaan ontbreken. Zelf kreeg ik eens rapporten onder ogen van iemand die enkele jaren te lang was doorgegaan, waarbij opviel dat plotseling de stand van bepaalde soorten dramatisch terugliep, terwijl dat elders geenszins het geval was. Met zachte dwang moest daar toen een punt achter worden gezet. Zover wil ik het liever niet laten komen en dus ligt een gang naar de hoorspecialist in het verschiet. Daartoe mede aangemoedigd door mijn kompaan Erick die bekende ’de oortjes’ van zijn overleden vader wel eens te gebruiken, want het is verbluffend, zegt hij, zo groot als de toegevoegde waarde van incidenteel gebruik kan zijn. Dat incidentele kan ik echter wel vergeten en permanent gebruik ligt meer voor de hand. Overigens wil het niet zeggen dat je het inventariseerwerk dan weer probleemloos kunt uitvoeren.

Het komt er ook op aan dat je vogels op iets grotere afstand in de smiezen krijgt. Niet met je ogen, maar met je oren. En ik denk dat zulks toch een probleem gaat opleveren. Zo’n vogel als de Rietgors (foto) zie je vrijwel altijd hoog in het riet zitten en in de broedtijd zijn er als onderdeel van balts- en territoriumgedrag de nodige vliegbewegingen. De nu weer terug gekeerde Rietzanger zie je vaak tijdens het zingen een eindje omhoog vliegen, iets dat de in moerassige gebieden de tegenwoordig vrij talrijke Blauwborst ook ziet doen. Iets meer omhoog vliegt de Graspieper (en Boompieper) die daarna als een parachuutje dalen. Nog (veel) hogerop zoekt de Veldleeuwerik het waardoor het soms moeilijk is hem te ontdekken. Die hoor ik trouwens nog steeds uitstekend, vele andere ook, maar het (gehoor)probleem ligt er. Nou was ik al van plan om een stapje terug te doen, ook vanwege allerlei andere voorziene activiteiten in het voorjaar. Toch denk ik nog wel van waarde te kunnen zijn, want met zijn tweeën zie (en hoor) je meer en het banjeren door de velden gaat me nog uitstekend af.                                                 Vorige week zondag bereikte mij het droeve bericht dat mijn goede vriend Theo Nijssen net was overleden. Toen ik een kleine twintig jaar geleden me bezig ging houden met de mycologie twijfelde ik meermaals aan de juistheid van mijn waarnemingen. Theo, toen nog woonachtig in Eelde (later in Norg), heeft me toentertijd goed op weg geholpen en werd daarna ook lid van onze paddenstoelenwerkgroep. Frappant was hoe hij beeldend kon verhalen over de kleuren van de verschillende zwammen, terwijl hij kleurenblind was.