‘Ik denk dat menig kievit de auto van Johan wel al kent’

Bertjaap en Johan van een uitstervend ras

RODEN – Bertjaap Darwinkel is begin dertig en vond dit jaar het eerste kievitsei in Roderesch. Johan Baard loopt mooi richting de honderd en vond al meer dan dertig keer het eerste kievitsei. Ondanks het leeftijdsverschil delen ze dezelfde passie. Zie je ergens op een land een man – blik naar beneden gericht- lopen, dan is de kans groot dat dit óf Johan óf Bertjaap is. ‘Het zit in de genen’, zegt Bertjaap, zoon van Jans, broer van Jos en werkzaam bij de provincie Groningen. Johan knikt. Ook hij weet niet beter. Waar ze het ook al over eens zijn is het feit dat ze van een uitstervend ras zijn, net als de weidevogels zelf.

‘Ik zoek al van kleins af aan naar kievitseieren’, zegt Bertjaap, die de kunst afkeek van pa Jans. ‘Ooit belde mijn vader met Johan om te vragen of die al een ei gevonden had, omdat ik er namelijk al één gezien had. Dat zoeken naar dat eerste ei, dat zit in me. Gaat er, zo vrees ik, ook niet meer uit. Ook ik constateer dat er de afgelopen jaren ontzettend veel veranderd is. Ik heb lang in Langelo gewoond en toen ik nog een klein Bertjaapje was, struikelde je daar bijna over de eieren op het land. Dat is nu ander. Heel anders. Ik moet steeds verder weg. Vroeger liep ik in een straal van een kilometer om mijn huis, nu is die straal zeker twintig kilometer.’ Johan en Bertjaap kennen elkaar goed. Al heel lang geeft Johan hoog op over natuurmens Bertjaap, die volgens Baard ooit eens elfhonderd vissen in twee uur tijd aan de haak sloeg. Samen vonden ze al eens een eerste ei, op de plek waar nu Gasopslag Langelo gevestigd is. ‘Daar zaten nog heel lang kieviten te broeden’, weet Johan. ‘Vroeger zaten ze midden op het terrein, nu aan de buitenkant.’

Hoewel beide mannen immer positief in het leven staan, zuchten ze diep als gevraagd wordt naar de situatie van de weidevogels. ‘Het wordt minder en minder’, zeggen ze. ‘ Over een jaar of tien zie je hier geen scholekster meer. Elk jaar zijn er vijf procent minder kieviten in Drenthe.’ Zowel Bertjaap en Johan weten wel waar de schoen wringt. ‘ Er zijn heel veel oorzaken te noemen. Denk eens aan reigers en vossen bijvoorbeeld. De boeren die eerder het land op gaan. Trouwens, wij vernemen dat er bij de boeren bereidwilligheid is om te beschermen. Als we zeggen dat er nestjes op het land zijn, dan markeren we die en wordt er rekening mee gehouden. Anders is dat nog wel eens met loonwerkers. Die zitten het grote licht aan en jakkeren zo het land over. Ook de drainage van de landerijen speelt een rol, net als dat het land tegenwoordig geïnjecteerd wordt en zelfs een mol zich er niet meer wil vestigen. De (gecreëerde) verdroging van het land, waardoor boeren sneller het land op kunnen. Nee, we veroordelen niet. Boeren moeten geld verdienen. Maar als we zo doorgaan, dan kunnen we onze hobby niet heel lang meer uitoefenen. Kunnen we alleen nog paaseieren zoeken.’

Of een kievit nut heeft? Johan en Bertjaap lachen. Johan noemt een voorbeeld. ‘De gierzwaluw. Die broedt hier bij de Catharinakerk in Roden. Die haalt per dag dus gewoon 10.000 kleine insecten voor zijn jongen. Doet zo’n vogel dat niet, dan krijg je op den duur geweldig veel ongedierte. Zo werkt dat.’ Kieviten zijn niet gek. De vos, aartsvijand nummer één, evenmin. ‘Waar de vos niet komt, zie je de kievit. Ze ontlopen elkaar, haha.  Maar serieus: vogels zijn niet dom. Ze misleiden je. Vliegen ze op een bepaalde plek op het land rondjes en ga je er dus van uit dat daar het nest is, blijkt dat honderden meters verderop te zijn. Ze zijn niet achterlijk en eigenlijk denk ik dat ze ondertussen de auto van Johan wel al kennen. Die herkennen ze van afstand. Heel verstandig van Johan dat hij zo nu en dan met een andere auto gaat, haha. Maar: ook wij zijn niet gek natuurlijk. Het is het beste om een land aan de achterkant op te lopen, daar rekenen ze minder op. Dan hebben wij ze voor de gek. Mooi spel hoor.’

Beiden hebben en neusje voor de plek waar het eerste ei wel eens gevonden zou kunnen worden. ‘En we hebben elk ons ‘eigen’ gebied. Ik weet waar Johan zoekt, dus zoek ik daar niet. Andersom is dat net zo. Nee, rivaliteit zou ik het niet willen noemen. Het is wel zo dat als ik zoek, ik wel hoop ook het eerste ei te vinden. Makkelijk zat’, zegt Bertjaap. Het eerste ei van 2017 vond hij dus in Roderesch. ‘Na het werk. Ik had al een vermoeden waar ik moest zijn. Binnen drie minuten had ik het ei. Ik heb de plek gemarkeerd en de handtekening van boer Brink gekregen. Hij let op het nest, zoals wij die doorgaans ook volgen. Je bent toch benieuwd hoe het verder gaat. Wanneer er kleine kievitjes komen.’

Baard en Darwinkel kunnen uren praten over vogels en de natuur in het algemeen. Ze zijn kenners. Praktijkmensen. Ze weten hoe het gesteld is met land en vogels. Ze signaleren. ‘Ik zie een toename van het aantal buizerds’, zegt Bertjaap. ‘Wist je dat ik eigenlijk maar drie keer een vos in levende lijve heb gezien’, bekent Johan. ‘Meen je, ik heb er wel honderd gezien’, countert Darwinkel. ‘Dassen dan? Achter Lieveren en Langelo tref je ze’, vertelt Bertjaap. ‘En de ooievaars hier. Geen wonder ook, ze zijn uitgezet vanuit de opvang bij Meppel. Johan vertelt dat de CdK van Fryslân het eerste kievitseis overhandigd kreeg op straat. Kennelijk wilde de man niet met lakschoentjes het land op. Bertjaap heeft wel een idee om wat aan de weidevogelstand te doen. ‘Maak een eiland in de Onlanden. Onbereikbaar voor vossen, met ophaalbrug en stroomdraad. Kan zo, is niet moeilijk. Maar goed, zal wel geen geld voor zijn.’

Ook op het gebied van educatie kan er een slag gemaakt worden. Menig leerling van de basisschool kijkt vreemd op als gezegd wordt dat het eerste kievitsei gevonden is. ‘Ze kennen dat niet. Je moet al blij zijn als ze weten wat een kievit is. Er zal een plan op maat moeten komen, wil je de weidevogelstand verbeteren. Wil je echt beschermen, dan zul je bijvoorbeeld boeren moeten compenseren. Kost allemaal geld, en dat zal er wel niet zijn.’

Tenslotte maken de heren nog even ruzie. ‘ Mensen die zeggen dat uit het eerste kievitsei de dikste jongen komen, verklaar ik voor gek’, zegt Johan. ‘Nou’, zegt darwinkel, ‘ik denk dus dat dit echt zo is.’ Ook op de parkeerplaats praten beide mannen verder. Automatisch de blik wat naar beneden gericht. Alsof ze elk moment een ei kunnen ontdekken. Mooie kerels.