In Memoriam – Rinus Tegelaar

2-1-1938
4-4-2020

Gedisciplineerde vechter gaf alles tot de laatste snik

LEEK – Op 4 april jongstleden kwam er een eind aan het leven van Rinus Tegelaar. De in Leek gevestigde Hagenees was een bekende binnen de judo en jiu-jitsusport. Een man die zich altijd vol overgave en met discipline op zijn sport stortte. Op woensdag 8 april brachten familie, vrienden, buren en vele judoka’s hem een laatste groet. Middels een erehaag werd afscheid genomen van een unieke man met een eveneens unieke levensopvatting. Zijn enorme verantwoordelijkheidsgevoel maakte dat hij, ondanks fysieke mankementen, nog tot in juni 2019 jiu-jitsules bleef geven.

Het is 2 januari 1938 als Rinus Tegelaar in Den Haag het levenslicht ziet. Rinus groeit op in een groot katholiek gezin met negen kinderen. Wanneer hij opgroeit, zijn de zelfverdedigingssporten in Nederland niet zo groot als nu. Pas met de successen van generatiegenoot Anton Geesink, kwam de judosport écht in de lift te zitten. Rinus begon geheel autodidact. Hij verslond de zogeheten ‘Dick Bos boekjes’, boekjes over vechtsport in het algemeen. ‘Die boekjes maakten dat hij zelf op vechtsport is gegaan’, vertelt Ineke. ‘Hij beet zich al snel helemaal vast in judo. Hij heeft zich er in verdiept en bleek er aanleg voor te hebben. Sindsdien is het altijd zijn passie geweest.’

Het moet ergens rond 1964 zijn geweest toen Rinus zijn toekomstige vrouw Ineke leerde kennen. ‘Hij was mijn buurjongen’, vertelt Ineke. ‘We zijn al vrij snel getrouwd daarna. Ik was 19 jaar. In totaal zijn we 54 jaar getrouwd geweest.’

Ondertussen nam Rinus deel aan wedstrijden en gaf hij al les. Toen hij van een kennis kreeg te horen dat ze in het noorden zaten te springen om judoleraren, ging Rinus er een kijkje nemen. ‘De vechtsport was in het westen al vrij bekend, maar in het noorden niet’, weet Rody. Ineke herinnert zich de eerste periode in het noorden nog. ‘Hij reed aanvankelijk telkens heen en weer. In heel het noorden keek hij waar hij les kon geven. Van Oude Pekela tot Grootegast en van Hoogezand tot Drachten. Hij heeft overal gezeten. Dan was hij twee dagen in het noorden, om vervolgens weer naar Den Haag terug te keren. Ideaal was dat niet. Uiteindelijk besloten we hier een huis te zoeken. In 1973 zijn we naar Leek verhuisd.’

De overstap van Den Haag naar Leek was een ingrijpende gebeurtenis voor het nog jonge gezin. Bijna ieder weekend togen ze dan ook naar Den Haag, met op de achterbank de piepjonge Rody en dochter Mandy. ‘In het begin was die hang naar Den Haag heel sterk’, zegt Ineke. ‘Maar uiteindelijk wen je aan het leven in het noorden. Dat kwam ook door de buurt. We hebben hier, in de Wethouder Iwe Hutstraat, vanaf het begin gewoond. De buren stonden en staan altijd voor ons klaar. Dat maakt dat wij ons hier altijd hebben thuis gevoeld. Alleen misten we soms het strand. Nog steeds wel trouwens.’

In 1983 opende Rinus zijn eerste sportschool in Leek. Hij gaf er judo en jiu-jitsu, maar het was ook één van de eerste fitnesscentra in het noorden. ‘Het was voor die tijd een hele moderne sportschool’, weet Rody. ‘De opening werd verricht door burgemeester Zwart van de toenmalige gemeente Leek. De sportschool was een succes. Hij hoefde niet meer bij verschillende verenigingen les te geven, maar kon dat voortaan vanuit één plek doen.’

Het mag geen verrassing heten dat ook Rody en Mandy opgroeiden met judo. ‘Dat stond eigenlijk wel vast’, zegt Rody. ‘Het ging altijd over de vechtsport. Pap was daar zó mee bezig.’ Toch vond Rody uiteindelijk zijn weg in de muziek. ‘Al komt dat ook deels door mijn vader’, zegt hij. ‘We hadden altijd een piano in huis. Hij was geen groot muzikant, maar vond het heerlijk om te pingelen op dat ding. En de radio stond ook altijd aan. Hij was een liefhebber.’

Mandy deed nog het CIOS en is zelfs trainer geworden. ‘Maar zij vroeg zich wel af hoe mijn vader dat altijd deed’, zegt Rody. ‘Steeds weer nieuwe trainingen bedenken, dat is niet niks. Mijn vader had daarnaast een gigantisch verantwoordelijkheidsgevoel. Zijn lessen gingen altijd door. Ook als hij zich wat minder voelde, omdat hij bijvoorbeeld een griepje had. We moesten hem soms echt thuis houden.’ Ineke beaamt dat: ‘Dat verantwoordelijkheidsgevoel heeft hij tot zijn dood gehad. We bleven altijd verbonden aan de schoolvakanties, omdat Rinus geen trainingen wilde afzeggen. Soms vond ik dat vervelend. Zijn we in de zeventig, moeten we daar nog rekening mee houden. Maar ja: zo was Rinus. Heel bijzonder.’

Later was Rinus mede-oprichter van het Sportcentrum Leek. Daarin werd ook het hele gezin betrokken. ‘Wij hielpen altijd al in de sportschool’, zegt Rody. ‘Dus het was eigenlijk vanzelfsprekend dat we ook zouden helpen bij het nieuwe Sportcentrum. We waren betrokken bij de hele opbouw ervan.’ Ineke herinnert zich nog hoe zij met pannen vol erwtensoep naar de werklieden reed. ‘We hebben vrij veel zelf gedaan. Zo ging dat destijds.’

Een paar jaar na de succesvolle oprichting van het Sportcentrum, stapte Rinus er uit. Hij ging weer op verschillende plekken lesgeven. Niet alleen bij verenigingen, maar bijvoorbeeld ook bij de politie en in gevangenissen. Ondertussen was hij sportmasseur bij de nationale ploeg, wereldscheidsrechter in jiu-jitsu en zat hij in allerlei commissies. Rinus Tegelaar werd steeds meer een grote naam in de Nederlandse vechtsport.

Ook buiten zijn sport om bleek Rinus een man die maar moeilijk stil kon zitten. ‘Hij was altijd bezig’, zegt Rody. ‘Dan was hij “lekker aan het klooien” in de tuin of was hij dingetjes aan het repareren. Hij was enerzijds heel gedisciplineerd en serieus, maar hield anderzijds ontzettend van gezelligheid. Ik denk dat veel vrienden en kennissen hem zullen herinneren als een gangmaker, een grappenmaker.’

Onvergetelijk waren de vakanties van de familie Tegelaar naar Spanje. ‘Dat was fantastisch. Mijn vader was doordeweeks weinig thuis. Gaf natuurlijk trainingen op onregelmatige tijden, maar op vakanties was hij een echte familieman. Hij had ook zo zijn standaardgrapjes. “Geef mij maar een moorkop”, zei die dan. Zonder context begrijp je dat niet, maar het was één van de dingen die hij altijd zei. Of “dit jasje moet morgen weer terug naar Neckermann”. Grapjes die altijd terugkwamen en wij tot vervelends aan toe hebben gehoord, maar wel écht bij hem hoorden.’

De gezelligheidsman kon zich verheugen op Pinkster- en Rodermarkt en mocht graag een sigaartje roken in de tuin. ‘Dat strookt niet met het imago van een sportman’, beaamt Rody. ‘Maar hij inhaleerde nooit. Dat was zijn excuus.’

Verder zal Rody hem herinneren als een man die altijd voor zijn gezin klaarstond. ‘Bij verhuizingen of andere klusjes, was hij de eerste die er stond. Hij zou me later vertellen dat hij dat juist heel waardevol vond. Dat had ook weer met zijn grote verantwoordelijkheidsgevoel te maken. Als er wat was, stond hij er.’

Ook was hij dol op zijn drie kleinkinderen die hij nog heel graag had zien opgroeien.

Gran Canaria

Tot aan de zomer van 2019 bleef Rinus dus lesgeven. Daarna kon het niet meer. Hij had last van zijn bekken. ‘Waarschijnlijk liep hij er al langer mee’, zegt Ineke. ‘De eerste scan was redelijk hoopvol. Bij de tweede scan bleek het een kwaadaardige tumor te zijn. Het was uitgezaaid. Dat ging er maar moeilijk in. Je denkt: hij heeft rugpijn en vervolgens krijg je te horen dat hij niet meer beter wordt.’

De verhalen over Rinus zijn legio. Over de eindeloze surfmiddagen bij Lauwersmeer of zijn reis naar Japan. Ook de afscheidsreis naar Gran Canaria komt ter sprake. ‘Met het gezin zijn we een week naar Gran Canaria gegaan. Bij wijze van afscheid, al wou Rinus dat niet zo noemen’, zegt Ineke. ‘Hij was een trotse man. Ik denk dat hij daarom ook lang zijn pijn verborgen heeft kunnen houden.’

Afscheid

Op maandag 4 april overleed Rinus. Zijn laatste wensen had hij reeds doorgegeven. Hij wilde een witte kist, witte auto en geen ‘pinguïns’ aan zijn kist. Ondertussen stroomden de steunbetuigingen binnen. ‘We kregen meer dan tweehonderd kaarten’, zegt Ineke ontroerd. ‘Rinus heeft in zijn leven veel mensen geholpen met wie het even minder ging. Zo was hij.’

Een grote erehaag, mede gevormd door veel oud-leerlingen, was een laatste blijk van respect. Op de kist van Rinus lag een samuraizwaard. ‘Mijn vader heeft zijn hele leven gevochten’, zegt Rody. ‘Maar uiteindelijk moet je als judoka leren verliezen. Dat besefte hij zich heel goed.’

KADER

Zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen willen iedereen bedanken voor de overweldigende steun aan de hand van kaarten, bloemen en advertenties. ‘Wij weten dat Rinus het respectvolle afscheid zeer gewaardeerd zou hebben.’