Inheems of (nog) niet

column-cees-inheems

Tijdens uitstapjes in de natuur is het ontdekken van een nieuwe soort altijd een leuke verrassing. Het meest gebeurt mij dat tijdens inventarisaties van paddenstoelen. Daarvan zijn er in Nederland nu ruim 5200 bekend. Pakweg de helft heb ik gezien en dus is de kans op nieuwe soorten groot. Bij vogels is dat een stuk kleiner, want daar komen enkele honderden soorten van voor en de meeste heb ik al eens waargenomen. Wat dat betreft is de kans om een nieuwe plantensoort te ontdekken weer een stuk groter. Van planten zijn er nu ongeveer 1600 bekend in Nederland.

De meeste plantensoorten zijn inheems, maar dat wil niet zeggen dat ze hier van oorsprong groeien. Door menselijke activiteiten zijn hier namelijk in verschillende tijdsperioden planten terechtgekomen. Zo zijn er in de Romeinse Tijd met nieuwe landbouwgewassen veel soorten geïntroduceerd. De ontdekking van Amerika en daarna het steeds intensievere handelsverkeer leidden tot aanzienlijke veranderingen in de samenstelling van de flora. Dat gaat door tot op de dag van vandaag. Vooral het aantal soorten dat op stenige plaatsen groeit neemt toe als gevolg van de verstedelijking van Nederland. Maar er verdwijnen ook soorten, vooral in landbouwgebieden door vermesting en verdroging. Deels komen soorten hier op eigen kracht, bijvoorbeeld door de klimaatsverandering. Wanneer deze allochtonen hier goed standhouden worden ze al gauw als ingeburgerd beschouwd. Voor soorten die hier zijn ingevoerd geldt dat pas nadat ze aan bepaalde criteria hebben voldaan.

Een begrip als ’exoot’ wordt ook vaak gehanteerd. Dat heeft een ietwat negatieve lading. Dat komt omdat bepaalde exoten veel schade veroorzaken. Die ben je liever kwijt dan rijk. De Amerikaanse vogelkers is zo’n voorbeeld. Die is na de introductie dusdanig toegenomen dat hij de naam ’bospest’ kreeg, omdat hij schier onuitroeibaar is. In Amerika hebben ze er helemaal geen problemen mee. Daar kent hij namelijk natuurlijke vijanden (schimmels) die hem zodanig in toom houden dat hij totaal geen overlast geeft. Het is het nadeel van meer exoten die hier terechtkomen dat ze geen last hebben van natuurlijke vijanden en daardoor een plaag kunnen worden. De Reuzenberenklauw is een voorbeeld, maar ook de Japanse duizendknoop. En je leest over de hinder die de Grote waternavel veroorzaakt en een plant als de Watercrassula (uit Australië) zie je steeds grotere oppervlaktes bedekken. Men heeft berekend dat exoten de Nederlandse economie een schade berokkenen van meer dan een miljard euro en dus krijgt de bestrijding ervan meer aandacht.

U begrijpt dat de ontwikkeling van de Nederlandse flora een dynamisch gebeuren is. Zo dynamisch dat wanneer er een nieuwe Flora in boekvorm verschijnt deze bij voorbaat al weer achterloopt op de realiteit. Vorig jaar trof ik tijdens een vakantie in Zeeland een wolfsmelk die ik niet op naam kon brengen met mijn Heukels’ Flora van Nederland. Later kwam ik er achter dat het de Kustwolfsmelk was, een soort die er nog niet in staat vermeld. Het is een zogenaamde ’Wachtkamersoort’. Als hij standhoudt en zich op meer plekken vestigt wordt hij later officieel vermeld in de standaardlijst. Andere soorten, met aansprekende namen, die ook het predicaat ’Wachtkamersoort’ kennen zijn bijvoorbeeld: Dessertbladen (een Kaasjeskruid), Fransje (een biessoort) en de varens Fijn- en Smal venushaar. Soorten als de Citroenmelisse, Prikneus en Straatliefdegras zijn al zo ingeburgerd dat ze het stadium ’Wachtkamersoort’ reeds zijn gepasseerd.

Ik meldde al dat veel soorten uit Amerika afkomstig zijn en één ervan ziet u op de foto. Tijdens een inventarisatie troffen we deze plant aan zonder hem direct te kunnen benoemen. Voor allen was hij nieuw en dat leidde best tot enige opwinding. Wel kwam hij mij bekend voor, maar de harde schijf (in mijn bovenkamer) begint krasjes te vertonen. U ziet dat de bladeren van de plant sterk behaard zijn en dan is het logisch te zoeken bij de familie van de Ruwbladigen. Daar werd hij snel gevonden als zijnde de Kleinbloemige amsinckia. Kleinbloemig is hij zeker, want de bloempjes zijn hooguit 3 mm groot. De scherpe haren kunnen huidirritatie veroorzaken en, merkte één van ons, steken gemeen.