Joey Louwes: de coureur die ‘per ongeluk’ in de motorsport belandde

‘Het is een dure sport. Als je ervoor gaat, moet je er niet half voor gaan.’

ZEVENHUIZEN – De 24-jarige Joey Louwes staat voor zijn tiende jaar als motorcoureur. De in Zevenhuizen woonachtige rijder beleeft zijn sport erg intens. De Krant zocht hem op en nam zijn carrière met hem door. Een blik op komend seizoen mocht zeker niet ontbreken.

De voordeur van de boerderijwoning aan de Bremerweg zwaait open. Joey Louwes begroet zijn bezoek. Hij verzocht de redacteur van dienst een kwartier later te komen, zodat hij eerst nog even kon eten. Overdag afspreken met de motorcoureur blijkt lastig, want er moet ook gestudeerd en gewerkt worden. In de hal staat een laptop die is aangesloten op een nieuwe motor. Een uitgeklede motor weliswaar. ‘Deze hebben we onlangs gekocht’, vertelt Joey. ‘Ik ben hem nu aan het instellen.’

Het leven van Joey staat grotendeels in het teken van de motorsport. Zo werkt hij bij MotoPort in Leek en volgt hij een opleiding aan het Drenthe College in Assen. ‘Daar ben ik binnenkort mee klaar’, vertelt hij. ‘Dan ga ik fulltime aan het werk.’ De kortgeknipte nagels met een zwart laagje verraden een dergelijk beroep al. Joey heeft een vlotte babbel en spreekt vol hartstocht over ‘zijn sport’.

De passie van Joey is hem niet met de paplepel ingegoten. In zijn familie is hij de eerste die ooit geracet heeft. ‘Mijn moeder en opa hebben wel allebei motor gereden. Dat vond ik altijd al prachtig. Als ik achterop zat genoot ik van de geur en het geluid.’ Joey wilde dus gaan racen, al had het maar weinig gescheeld of hij was er nooit mee begonnen.

Hij herinnert het zich als de dag van gisteren. ‘Ik was veertien jaar toen ik begon in de instapklasse. Je kon je aanmelden voor de Moriwagi Junior Cup, zoals dat destijds heette. Er waren misschien wel honderden aanmeldingen, waarvan er uiteindelijk maar twintig werden ingeloot. Veel verwachtte ik er niet van, maar toch werd ik uitgeloot. Van de twintig uitverkorenen was ik samen met een ander nog totaal onervaren. We zijn er – zonder ook maar iets van motoren te weten – ingestapt.’ Dat dit niet van een leien dakje ging, moge duidelijk zijn. Zonder enige ervaring meedoen aan een 250cc-klasse, is haast onbegonnen werk. ‘Ik had nog nooit gereden en wist niet eens hoe ik moest schakelen’, blikt Joey terug. ‘Op de paddock kon ik voor de eerste race één keer heen en weer rijden. Het was zo van: “hier heb je een motor, succes ermee”. Natuurlijk ging het de eerste keer helemaal niet goed. Ik viel gelijk tweemaal. Ik begon met een rondetijd van twee minuut veertig, waardoor ik mijlenver achter lag op de concurrentie.’

Voor velen zou het een teken zijn om ermee te stoppen, maar Joey gaf niet op. ‘Dat zit niet in me. Ik ben altijd door blijven gaan. In het begin reed ik telkens achteraan, maar ik voelde dat ik beter werd. Mijn rondetijden werden steeds beter.’ Een passie was geboren, zo blijkt achteraf. Maar wat als Joey nou niet was ingeloot? ‘Geen idee eigenlijk. Ik kan me helemaal niet voorstellen dat ik het motorracen zou moeten missen.’ Achteraf kan Joey hartelijk lachen om zijn eerste momenten als motorracer, maar hij beseft zich dat het ook gevaarlijk was. ‘Je haalt toch 160 kilometer per uur met zo’n 250cc-motor. Zonder ervaring beginnen, is dus geen wijsheid. Tegenwoordig kan dat volgens mij ook niet meer.’

Joey’s liefde voor de sport maakte hem steeds beter. Inmiddels rijdt hij op een 600cc-motor. ‘Ik vind het mooi, ben er helemaal gek van’, zegt de Zevenhuister die in dezelfde klasse als Jeroen Hilster rijdt. Hilster werd afgelopen jaar uitgeroepen tot Sportman van het Jaar in de gemeente Noordenveld, terwijl Joey een wisselvallig jaar achter de rug heeft. ‘Als het liep, dan liep het goed’, blikt hij terug. ‘Maar ik had alleen al het afgelopen jaar driemaal de motor stuk. Dan baal je flink.’

En bovendien kost een nieuwe motor een hoop geld. ‘Ik heb een aantal sponsoren maar ik moet zeker geld bijleggen. Het is een dure hobby.’ De sponsoren die hij heeft, is hij dan ook hartstikke dankbaar. ‘Ieder jaar krijgen ze van mij een presentje. Een ingelijste actiefoto. Het zijn allemaal sponsoren uit de regio, die je wat gunnen. Want dat is het vooral: het is elkaar wat gunnen. Ik heb niet het idee dat iemand per se meer mensen in de zaak krijgt, omdat diegene mij sponsort. Daarom wil ik goed contact onderhouden met de sponsoren. We bieden ze een presentje aan en ze zijn altijd welkom bij wedstrijden. Er is een sponsor die alle ingelijste foto’s in zijn kantoor heeft hangen. Sinds 2011 is hij al sponsor. De laatste keer grapte hij dat hij naar een groter kantoor moet verhuizen.’

Als Joey een goed jaar moet aanwijzen, dan zou dat 2017 zijn. In dat jaar werd hij vierde in het eindklassement, wat inhield dat hij toch mooi de vierde van Nederland was in de ONK SuperCup 600. ‘Dat jaar liep het gewoon goed. Ik haalde goede resultaten en werd uiteindelijk dus vierde. Toen kwam ik ook meer in ‘the picture’. En dat helpt wel, zeker als je sponsorcontracten wil binnenhalen. Motorrijden is toch een sport waar financiële steun je ver kan brengen. Wie meer geld heeft, heeft gewoon meer mogelijkheden.’

Om hem heen ziet hoe het geld sommigen komt aanwaaien. Althans, zo voelt dat soms. ‘Er zijn jongens die gewoon mensen met geld om hen heen hebben. Die hebben dan een tweede motor of zo en maken zich niet zo druk als er iets kapot gaat. Bij mij is dat anders. Als ik onderuit glij en blikschade heb, bal ik al als een stekker.’

Bijna alle gezinsleden om Joey heen zijn bezig met zijn sport. ‘We gaan vaak samen naar de races. Ze zijn er eigenlijk altijd bij.’ Verder heeft Joey een team aan deskundigen om zich heen verzameld, die hem bij van alles en nog wat helpen. ‘Allemaal op vrijwillige basis. Het zijn mensen die net als ik een passie voor de sport hebben. Ik vind het zelf mooi om te sleutelen aan mijn motorfiets, maar ik kan niet alles alleen doen. Dus heb ik bijvoorbeeld een dataman en een monteur om me heen. Je moet ook dingen uit handen geven, want je kunt écht niet alles.’

Ondertussen leeft Joey bewust. Veel in de kroeg hangen is er niet bij. ‘Als je zo’n dure hobby hebt, kun je er niet maar half mee bezig zijn. Ik moet er vrij veel voor laten, dat geef ik toe.’ Een ontzettend grote vriendenkring heeft Joey dan ook niet. ‘Het klinkt gek, maar ik heb er gewoon niet zoveel tijd voor. Ik heb bovendien ook een vriendin en die neemt ook tijd in’, lacht hij. ‘Ik zeg wel eens gekscherend dat mijn motor mijn tweede vriendin is, maar zo voelt het soms echt.’

Gevaarlijk?

Motorrijden is ontegenzeggelijk een vrij gevaarlijke sport. Tijdens de race haalt Joey op zijn top zo’n 250 kilometer per uur. ‘En vallen hoort erbij’, zegt hij. ‘Maar de pakken zijn zo goed, dat je er weinig van voelt. Dat is een voordeel.’ Desondanks blijft het een sport van risico’s. ‘Ik heb wel eens iemand vol de muur in zien rijden op topsnelheid. Die heeft het niet overleefd.’ Echte tips over hoe je het beste kunt vallen, heeft Joey niet. ‘Je ziet dat Marc Marquez zich altijd heel klein maakt. Dat helpt, maar voor de rest is het een kwestie van geluk.’

‘Ik voel dat er meer in zit’

In april begint voor Joey het motorseizoen weer. ‘In het begin wil ik gewoon lekker rijden. Met plezier rondrijden, dat is heel belangrijk voor mij’, zegt hij. Maar ambities zijn er ook. ‘Ik voel dat er meer in zit dan de vierde plaats die ik in 2017 behaalde. Als alles meezit en ik in vorm ben, dan hoop ik dat ik mee kan doen om het kampioenschap. Ik geef toe: daar moet je ook wat geluk bij hebben. Maar dat er meer in zit, dat denk ik echt.’

De Krant zal Joey tijdens het seizoen nauwlettend in de gaten houden.