Joop Brink: ‘Als marktmeester ken je elk paaltje en boompje’

RODEN – Joop Brink mag gerust een bekende Rodenaar genoemd worden. Als gemeentebode en marktmeester kende hij het centrum van het dorp als zijn broekzak. We spreken over de periode 1979 tot 2005. ‘Als 35-jarige kon ik aan de slag als bode in het gemeentehuis. Mooi werk en ik heb dat altijd met plezier gedaan. Het marktmeesterschap kreeg je er als bode gewoon bij. Ik vond het best wel spannend in de beginjaren. Je werd voor de leeuwen gegooid.  Ik was marktmeester voor de ambulante handel en aanspreekpunt voor de hele markt. Je was op dat moment even de burgemeester van Roden.’

Joop Brink was na de gemeentelijke herindeling ook marktmeester van de jaarmarkten in Peize en Norg. Goede samenwerking was er altijd met Jan Luinge uit Peize en assistent marktmeester Klaas Britstra. Om meer ervaring op te doen werd in Amsterdam een cursus gevolgd over rechts- en wetkennis. Joop Brink is muziekliefhebber. Betrokkenheid was er bij Duo Noordenveld en The Shipmates. In die tijd stond hij ook wel bekend als ‘de zingende marktmeester’. De dag van de markt begon meestal rondom 5.00 uur met een bijeenkomst tussen politie, EHBO en andere betrokkenen op het gemeentehuis. ‘Ik had de sleutels en zette koffie. De bespreking was in die tijd een heel eenvoudige vergadering. In klein comité informeerden we elkaar. Dikke draaiboeken kenden we toen nog niet. Vanaf 6.00 uur mochten de marktkooplui komen. Ze botsten dan net op de laatste kroeggangers die vertrokken uit de cafés. Er was ruimte voor 250 kramen. Het aantal aanvragen was altijd hoger. Wel 500 stuks. Die konden we natuurlijk niet allemaal plaatsen. De markt door het centrum kent een lus, de markt loopt rond.  Wanneer je marktkramen in een zijpaadje zet, dan lopen de mensen die kramen voorbij. Je houdt rekening met looproutes en daarbij, een markt moet gemêleerd zijn. Twee dezelfde soort kramen naast elkaar wil niet. En dat is soms passen en meten, want iedere verkoper wilde natuurlijk de beste plaats voor zijn handel. Vroeger had iedere verkoper een eigen marktkraam en was er altijd gedoe over de beschikbare meters. Als marktmeester kende ik elk paaltje en boompje.  Je had ook meelopers. Dat waren marktlieden die zich niet hadden ingeschreven en hoopten op een afmelding voor die dag zodat zij er konden staan. Soms liepen er wel 40 van die meelopers achter mij aan. Zo vulde ik de gaten op en hadden zij geluk.’

De gehele dag was de marktmeester oproepbaar. In de 80-er jaren stonden er luidsprekers in elke straat. ‘Dan fietste ik de markt rond en hoorde ik ‘Marktmeester Brink, graag melden bij de centrale post’. Een kraam voor non-food kende een prijs van 4 gulden per meter en voor etenswaren betaalde je 8 gulden. Ik haalde dat geld contant. Dat kon toen nog en er is nooit wat gebeurd.’ Echt ruzie met kooplui heeft Joop Brink nooit gehad, al heeft hij wel eens marktlieden weggestuurd. ‘Ik heb ooit een visboer weggestuurd die rotte vis verkocht. Er kwamen klachten binnen bij de politie dat er mensen niet goed werden. De Keuringsdienst van Waren is er toen op afgestuurd en hun advies was duidelijk. Stuur die maar weg, die maakt iedereen ziek. Ook was er een keer een loempiaverkoper die langs de paardenmarkt stond. Die klaagde dat zijn hele voorraad gestolen was. Bleek dat de paarden al zijn loempia’s hadden opgegeten.’