Kleine rover

column-cees-klapekster

Vorige week ging het onder meer over de Ringmus, dat een gezellig vogeltje werd genoemd. Later zat ik me te bedenken dat de Huismus dat predicaat misschien nog wel meer verdient. Die gezelligheid zit hem dan vooral in het aantal vogels en hun luidruchtige aanwezigheid; het getsjilp is immers niet van de lucht. En wat meespeelt is dat huismussen zich vooral ophouden daar waar mensen zijn, meer dan ringmussen. Daardoor vallen ze meer op.

Dat geldt zeker niet voor de Klapekster die u hierboven ziet afgebeeld op een foto van Bertus van der Velde. Deze vogel mijdt mensen namelijk en we zien hem altijd in zijn uppie. U maakt de meeste kans om klapeksters te zien op heideterreinen en hoogvenen. Hier in de buurt is dat bijvoorbeeld op het Noordsche Veld, waar Bertus de vogel in oktober fotografeerde, en in het Fochteloërveen worden ze ook regelmatig gespot. Verder is de Osbroeksweg tussen Langelo en Lieveren een bekende plek en zelf zag ik afgelopen week een exemplaar in De Onlanden. Vanzelfsprekend opereert de vogel niet altijd in zijn uppie, want er moet natuurlijk wel nageslacht komen. Broedende klapeksters komen echter in Nederland niet meer voor. Men zegt dat het laatste broedgeval in 2002 was, maar dat kunnen best -net als in de jaren ervoor – overzomerende vogels zijn geweest. Het is in Nederland altijd een zeldzame broedvogel geweest die al vanaf het begin van de vorige eeuw gestaag in aantal afnam. Eerst waren er misschien nog enkele tientallen broedparen, maar omstreeks 1980 waren dat er nog slechts enkele paartjes. De oorzaak ligt vooral in de afname van geschikte habitats. Omdat de vogel altijd een zekere distantie tot mensen bewaart is recreatiedruk ook een belangrijke reden voor de afname.

Karakteristiek voor de vogel is dat ze vrijwel altijd in de top van boompjes en struiken zitten. Vandaaruit hebben ze een goed overzicht om hun prooien te bemachtigen. Dat zijn vaak muizen, hagedissen en kleine vogeltjes. In een boek las ik dat zelfs lijsterachtigen tot hun prooien behoren. Als je weet dat ze zo groot zijn als een Merel dan weet je ook dat het best mannetjesputters zijn en met recht ’kleine rover’ mogen worden genoemd. Overigens vermoed ik dat de genoemde lijsterachtigen verzwakte exemplaren zijn, want ik zie een Klapekster echt geen gezonde Merel buitmaken. Als beginnend vogelaar maakte ik op bijzondere wijze kennis met de Klapekster zonder hem gezien te hebben. Op een bepaalde plek zag ik een vogeltje in het prikkeldraad hangen en dichterbij gekomen bleek het een Graspieper te zijn. Ik weet nog goed dat ik het maar een stom vogeltje vond, want hoe was het toch mogelijk dat hij zichzelf had doodgevlogen in prikkeldraad? Een week later liep ik er weer en toen pas zag ik daar de Klapekster. Toen ik me daarna thuis verdiepte in de leefwijze van deze vogel kwam ik er achter dat ze als appeltje voor de dorst een voorraadje proviand aanleggen en daartoe worden prooien in prikkeldraad of doornige struiken gespietst om er later, bij schaarste, gebruik van te maken.

Dat laatste is iets dat door alle klauwieren wordt gedaan, de groep vogels waartoe de Klapekster behoort. Wereldwijd komen er een stuk of zestig soorten klauwieren voor, op twee na alle in de Oude Wereld. Ik schreef al een keer over de Grauwe klauwier die mestkevers levend op prikkeldraad spietste. Dat is een prooi die ook op de menulijst van de Klapekster staat. Op terreinen waar natuurinstanties grazers voor het onderhoud inzetten nam het aantal mestkevers explosief toe (vooral de Driehoornmestkever) en daar kwamen weer klapeksters op af. Toen echter de verplichting kwam het vee te ontwormen ging het weer bergafwaarts met de mestkevers en viel deze voedselbron voor de vogels weg. Chemie en natuur gaan slecht samen. ’Grappig’ aan de Klapekster is het zwart op de kop waardoor de vogel een beetje een boeventronie heeft. Dat komt nog veel meer tot uiting bij de Kleine klapekster met de zwarte tekening tot op het voorhoofd. Dit is een dwaalgast die zich een enkele keer in Nederland laat zien. Een kameraad belde me een keer en meldde dat een kennis van hem deze Kleine klapekster elke dag op de voederplank zag. Ik vertelde dat de Kleine klapekster nooit in de winter wordt gezien en al helemaal niet in de buurt van huizen. Mijn kameraad zei me dat die kennis van hem anders echt veel van vogels wist, maar je weet dat er vogelaars en vogelaars zijn.