Libellentijd

column-cees-heidelibel

Tijdens een excursie in de omgeving van het Norgerholt zagen we eens een Torenvalk vliegen en door de grijze staart wisten we dat het een mannetje was. Niks bijzonders. Eén van de deelnemers was echter niet overtuigd en vroeg zich af of het geen Boomvalk kon zijn. Nog afgezien van de veldkenmerken konden we hem duidelijk maken dat dit onmogelijk was vanwege het vroege tijdstip. Het was namelijk pas eind maart. Dit vereist nadere uitleg.

In de natuur gebeurt niets zomaar en hangt het één vaak van het ander af. Zo is de terugkeer van de Boomvalk gekoppeld aan het voorkomen van libellen. Die zie je in de loop van april verschijnen en dat kan doorgaan tot in oktober. Alle verschillende soorten libellen (en waterjuffers) hebben een bepaalde vliegtijd, de tijd dat je ze ziet vliegen. Je hebt dus vroege soorten, maar ook late soorten. Het gros echter zie je in juli en augustus. Omdat libellen een zeer belangrijk deel vormen van het menu van de Boomvalk zie je deze sierlijke roofvogel daarom pas verschijnen wanneer de (grotere soorten) libellen er zijn. En meestal is dat nog iets later, pas in mei. Boomvalken zijn zeer behendige vliegers en vangen met gemak kleine vogels en veelal zijn dat Boerenzwaluwen en een enkele keer zelfs een Gierzwaluw, waarmee ze qua silhouet sterke gelijkenis vertonen. Zo zouden ze ook aan de kost kunnen komen. Dat is echter een vaardigheid waarin jonge Boomvalken minder bedreven zijn, libellen vangen lukt beter. Daarom is de broedtijd (vanaf half juni), en daarmee het uitvliegen van de jonge vogels, afgestemd op de tijd dat de bulk van libellen voorkomt. En dat is omstreeks deze tijd.

In de weekendbijlage van De Volkskrant van 4 juli schreef Hanneke Sevink (zelfstandig roofvogelonderzoekster) in de rubriek ’Beestje van de week’ over haar favoriet de Boomvalk. Voor haar is het ”de mooiste vogel die we hebben” en dan volg je hem natuurlijk met meer aandacht dan andere (roof)vogels. Het is haar (en anderen) opgevallen dat de Boomvalk in vergelijking met eerder veel stiller is geworden. Sterker, je hoort hem nog nauwelijks. Een groot verschil met de tijd dat etholoog Niko Tinbergen de Boomvalk beschreef. Dat was in de jaren dertig van de vorige eeuw toen volgens Tinbergen je ze nog overal zag; ’aan bosranden, op de hei, in dennenbomen en aan randen van akkers’. Tegenwoordig wordt gerept over 750 broedparen en pakweg 25 jaar geleden ruim 1000. In de jaren dertig kunnen dat er volgens mij vast niet meer dan 1750 zijn geweest. In die tijd waren ze dus vooral voorafgaand aan de broedperiode zeer luidruchtig aanwezig: ”Ze zingen echte duetten, ongelooflijk mooi. Dat begint al voor zonsopgang als het mannetje met een prooi komt aanzetten en pit-pit-pit roept. En zij lahnt (bedelt) dan zoals dat heet”. Onderzoeker Rob Bijlsma die ze volgde in de jaren tachtig en negentig weet dat ze toen toch ook nog wel uitbundig aanwezig waren.

Nu schijnen ze dus in kleiner aantal stil aanwezig te zijn en over het waarom tast men nog in het duister. Je kunt je best voorstellen dat het een tactiek is om je broedplaats niet te verraden. Het is niet voor niets dat de Ransuil uit de bossen is verdwenen. Jonge vogels verraadden zich met hun gebedel en voor de Havik was het dan Tafeltje-dek-je. Om dat scenario te voorkomen hoor je bijvoorbeeld Gaaien zelden in de broedtijd en volgt de Boomvalk misschien dat voorbeeld. Nou had ik graag een foto van een Boomvalk boven dit stukje willen plaatsen, maar probeer zo’n schuwe vogel maar eens te fotograferen. Dat valt dus niet mee. Daarom de prachtige foto die Pia Zomer uit Roden me stuurde van een vrouwtje van de Steenrode heidelibel (zo genoemd vanwege de kleur van het mannetje) die je nu op warme dagen ziet en prooi van (jonge) Boomvalken kan zijn. Je kunt ze goed fotograferen, omdat ze steeds weer terugkeren op een vaste plek waarvandaan ze jachtvluchten uitvoeren. Beetje bij beetje kun je ze tot zeer nabij benaderen. Op de foto is goed te zien dat de samengestelde ogen bestaan uit facetjes (10- tot 50.000!). Ze registreren beweging, met het bovenste gedeelte afstand en het onderste dichtbij. Om licht en donker te kunnen onderscheiden heeft een libel nog drie enkelvoudige ogen. Maar al die ogen helpen niet om een aanval van een Boomvalk aan te zien komen.