Maria’s Mooie Mensen

Vorig weekend begon het: keelpijn, spierpijn, hoofdpijn. Dat je wakker wordt en weet: dit gaat niet de goede kant op. Normaal gesproken is dit geen probleem. Ik ben niet iemand die snel ziek is en in bed liggen is al helemaal niet aan mij besteed. Maar de wereld is dit laatste jaar natuurlijk wel wat veranderd. Snot is niet meer gewoon snot, maar een mogelijke bron van corona. En bang wil ik mezelf niet noemen, maar voor de zekerheid zou ik liever geen corona oplopen. Laat staan, iemand anders hiermee aansteken. Dus ik bleef een dagje binnen. Ik nam extra vitamines, wat aspirientjes en verwachtte zondag weer boven Jan te zijn. Toen ik zondagochtend echter even belabberd wakker werd, begon de twijfel. Als ik het moest zeggen, dan had ik wat onder de leden. En wát dat dan was: geen idee. Afgelopen zomer zaten we ook een keertje zo in dubio. Destijds hoesten we de longen uit ons lijf en was een rondje teststraat snel gepland. Met een hoestje durf je je tegenwoordig bijna nergens meer te vertonen. Het hoestje was een bekend euvel, de test bleek dus zoals verwacht negatief en het was middenin de hittegolf, dus het was geen straf die paar dagen met elkaar thuis uit te zitten. Dit keer was de keus ook weer snel gemaakt: testen maar. Dat betekende: samen thuis wachten op de uitslag. Niet naar school, niet naar kantoor. De kleine dames haalden hun schouders op: een dagje thuis was hun wel best. Oudste dochterlief juichte eerst blij ‘jippie een pyjamadagje!’ totdat de buurkinderen met haar buiten wilden spelen en wij dát dus geen goed idee vonden. Toen ze zich vervolgens realiseerde dat dus iedereen gewoon naar school zou gaan en alleen zij niet, ging het gezicht op onweer. De zondag ging voorbij; de maandag brak aan. Oudste dochterlief stortte zich op een stapel schoolwerk wat ik bewaard had van de lockdown, manlief werkte achter de keukentafel gewoon door en bij de tweeling ‘sloten de gelederen’. Als kop en kont stortten ze zich de hele dag in spelletjes als vadertje en moedertje en schooltje. Zelf liep ik met mijn ziel onder de arm. Wat doe je zo’n dag dat je niet weet of je besmettelijk bent, je toch al belabberd voelt en wacht op een verlossend bericht. Je slaapt iets langer, hebt geen kinderen op school af te leveren en bent op een gegeven moment ook door je thuiswerk heen. Ik draaide maar een extra wasje, gooide lang met de bal voor de hond en ging in mijn hoofd alle mogelijke momenten van besmetting bij langs. In mijn hoofd had zich al een aardig lijstje ‘verdachten’ gevormd tot om half vijf uiteindelijk ‘negatief’ in het scherm van mijn telefoon pliepte. Oudste dochterlief sloot zich gauw aan bij de verbaasde buurkinderen om weer mee te spelen, manlief rondde zijn werkdag af, de kleintjes keken amper op van de tablet waarachter ze zich genesteld hadden. Ik voelde me spontaan weer stukken beter. Nog altijd ben ik er niet uit of dit nou een verloren dag was of één van grote waarde. Voorlopig ben ik weer goedgekeurd. Laten we dat maar zo houden.