Maria’s Mooie Mensen

Elke zaterdag ga ik trouw naar puppycursus met onze Nero. Van tevoren zag ik daar nogal tegenop. Een rondje bellen leerde me dat de ene trainer verwachtte dat ook ik op theorieles kwam – dat werd hem dus niet – , de ander gaf me als wijze raad ‘je hond kan het al, nu jij nog’. En overal een door mij verafschuwd examen als uitsmijter. Uiteindelijk koos ik een club en ging ik zowaar met plezier heen. Om en om nam ik de meisjes mee en onze hond bleek best leergierig. En zolang de hond redelijk doet wat je wil, lijkt het aardig te doen, zo’n pup opvoeden. Maar helaas, helemaal over rozen ging onze weg richting het examen niet. Ons hondje is speels. Nou zult u denken: dat is elke pup. Maar die van ons is écht speels. Hij vindt iedereen leuk, wil iedereen begroeten en wil het liefst met elke hond spelen. En hoe lastig dat ook is, ik merk dat het me ergens vertederd. Het is net een kind erbij; een grote lompe baby van inmiddels twintig kilo die nog altijd het allerliefst op onze schoot klimt. Óf op die van anderen. Eentje die altijd blij en enthousiast is en eigenlijk heel goed weet als hij fout zit. Hoe verder we vorderden met de puppycursus, hoe lastiger hij het vond om juist daar  in het gareel te blijven. Elke week startte de les met spelen – vond meneer helemaal fantastisch -, daarna moesten we rondjes lopen en commando’s geven – ging ook nog prima -, maar zodra we dan tot stilstand kwamen en om en om aan de gang moesten, kwam de klad erin. Hij wilde spelen, álleen maar spelen. Hij begon te blaffen, sprong tegen me op, probeerde naar de andere hondjes te rennen; kortom, hij bezorgde me grijze haren. En het hondje dat ik doordeweeks elke dag meeneem naar kantoor, dat thuis alles keurig kan en daar nooit blaft, díe herkende ik niet meer. “Hij doet dit echt nooit thuis”, bracht ik meestal nog wanhopig uit na een minuut of tien en ik begrijp heel goed dat de meeste andere cursisten daar weinig van konden geloven. Met het examen voor de boeg begon ik elke zaterdagochtend meer en meer te zweten en werd de hond recalcitranter. Het schijnt dat dieren heel goed aanvoelen hoe wij ons voelen en dat is op zo’n moment niet bepaald praktisch. Eenmaal op het examen en alleen in het veld bleek er toch hoop voor ons. Meneer kán dus wel alles keurig uitvoeren en we behaalden een bijna volle score. Met ietwat frissere moed ben ik doorgegaan met de volgende cursus en weer aan het trainen geslagen met mijn vriend. En opnieuw wil meneer vooral spelen op cursus en valt het niet mee om ook maar iets te presteren dat uurtje op de zaterdag. Als hij enthousiast de trainer wil bespringen, zeg ik de beste man vergoeilijkend: ‘hij vindt je leuk’. Blaft hij dan noem ik hem een druktemaker en doet hij niks van wat ik wil dan zie ik een hondje met een geheel eigen karakter. Het lijkt erop dat we nog wel wat te trainen hebben; hij én ik.