Maria’s Mooie Mensen 346

We hebben thuis een driejarige die denkt dat ze onoverwinnelijk is. Autorijden zou ze zo doen, als ik eindelijk eens dat stuur af zou staan en vol frustratie laat ze zwembandjes om doen in het zwembad, want die heeft zij echt niet meer nodig. Haar spierballen gooit ze te pas en te onpas in de strijd door met veel theatraal vertoon haar armen te tonen en te claimen dat ze dankzij deze krachtpatsers alles kan wat haar zus niet kan. Voor een dame als deze is het erg lastig te accepteren dat toch ook zij ooit maar een klein hulpeloos baby’tje was. ‘Nee hoor’, zegt ze dan ook stellig, ‘ík heb niet in jouw buik gezeten.’ Haar tweelingzusje wijst vervolgens – zonder zich bewust te zijn van de irritatie van haar zusje – de foto’s van dit duo als kleine baby aan. ‘Dat is Georgia, dat ben ik, wij zaten in de buik van mama’.  Maar dat ze zelfs sámen in de buik van haar moeder heeft gezeten, dáár wil mevrouw al helemaal niet aan. Ze houdt eerst stand dat ze ‘nooit, nooit, nooit’, in mijn buik heeft gezeten en bindt dan in dat ze in elk geval alléén in mijn buik zat. Haar zusje blijft totaal ongevoelig voor de ergernis van haar zus gewoon lekker doorgaan: ‘ik vond het héél leuk in jouw buik, was gezellig’. Zij bekijkt de baby foto’s nog eens goed en lijkt zeer tevree met haar eigen baby-hoofd. Moeiteloos schakelt ze over naar de Woezel en Pip knuffels die nog in de box lagen en verwondert zich erover dat die knuffel die toch écht boven in de knuffelmand ligt, ook hier op de foto staat. Vreemd hoe zo’n knuffel non-stop op deze foto op de plank boven onze eettafel kan pronken en toch als ze gaat zoeken, gewoon boven in de mand ligt. Haar zus is ondertussen nog niet klaar om over te schakelen op een nieuw onderwerp, dit rondje fruit eten blijkt een rondje vol boosheid en dwarsheid en ze is niet van plan toe te geven. Maar ze heeft het ultieme laatste woord bedacht: ‘ik zat niet in mama’s buik, ík zat bij papa in de buik’. Triomfantelijk kijkt ze mij en haar zus aan, die dat allemaal prima vindt, zolang zij maar in mijn buik zat en ze negeert mijn lachbui vakkundig. ‘Zo’, schakelt dan ook zij maar over op wat anders: ‘doe mij die kiwi maar, ik heb spierballen en kan dat helemaal alleen opeten. Kiwi in mijn buik, dan word ik nog meer sterk en krijg ik nog meer spierballen’.  Arme wereld. Nog een jaartje of 16 en dan laten we haar los.