Maria’s Mooie Mensen 349

    Mijn oudste dochter is behept met het a-sportieve lichaam van mij. Net als mij is ze vrij stijf in de benen en heeft ze ook niet per se veel plezier in sportieve activiteiten. Regelmatig vertelt ze thuis hoe ze op school niet zo snel is als een ander of met zwemles nooit eens een wedstrijdje wint. Zelf liep ik met gymles ook altijd achteraan, meestal had ik zelfs een rondje achterstand op de rest van mijn klas. Ik ben er niet minder gelukkig door geworden en heb me nu ik 35 ben allang verzoend met het feit dat sportief uitblinken er niet in zit. Sterker nog: gewoon sportief bezig zijn is al een hele prestatie voor mij. Voor dochterlief, omringt door kleuters die bij tijden overal competitie van maken en elkaar continu inwrijven dat ze sneller zijn dan elkaar, meer baantjes kunnen zwemmen of vaker naar school fietsen, is het weleens lastig om te gaan met haar a-sportiviteit. Gelukkig maar, is ze het plezier in sportief bezig zijn nog niet volledig verloren. Sjokkend vertrekt ze vaak naar zwemles, maar meestal komt ze toch wel weer vrolijk terug. Trouw gaat ze twee keer in de week het water in, maar zo heeft ze al besloten: ‘hierna ga ik denk ik niet een andere sport doen, want dat is wel érg vermoeiend’. Afgelopen week prijkte er de sponsorloop op onze planning. Met enig argwaan zag ik het evenement naderen: rondjes van één kilometer rennen met temperaturen van rond de 25 graden, is dat wel een goed idee? Manlief en ik wezen een avondlang naar elkaar om dochterlief te vergezellen en haalden opgelucht adem toen bleek dat ze met haar klas ging lopen en er genoeg ouders waren die wel een rondje mee wilden gaan. Ik drukte deze ouders nog wel even op het hart dat mijn dochter me in staat leek halverwege het parcours te verlaten. Immers:  het is wel erg vermoeiend zo’n wedstrijd en meedoen is belangrijker dan winnen; dat hou ik haar altijd maar voor. Met een brede lach, sportieve outfit en een pet tegen de hitte vertrok ze dan voor haar ‘moment of glory’. Wij bleven achter in de brandende zon. Rondjes van één kilometer werden afgelegd in een minuut of tien, wat langzaam opliep naar een kwartier. Maar telkens weer kwam ze langs én ging ze door, van stoppen geen sprake. De lach bleef, de arm ging elke finish even omhoog en trouw werd er gestempeld. Na de wedstrijdduur van een uur moesten we haar van het parcours afplukken want als het aan haar lag, ging ze gewoon nog even door. Klasgenootjes spraken vooraf over zestien of twintig rondjes maar hielden het bij één of twee; zíj zette in op drie, ík bleef haar inprenten dat één ook fantastisch zou zijn, maar ze deed er maar liefst vijf. De kers op de taart was een echte medaille: ‘een échte mama!’ bleef ze maar uitroepen. Thuis lonkte de bank en daarna begon de spierpijn. Steeds moeizamer kwam ze in beweging, strompelend ging ze uiteindelijk naar bed. Na een uurtje kwam ze nog weer uit bed om te plassen. ‘Ik kan alweer beter lopen hoor, mama. Volgend jaar doe ik een rondje meer.’