Maria’s Mooie Mensen 358

Net als mijn kinderen, hou ik er ook niet van om op tijd te staan. Niet dat ik niet vroeg op ben of maar wat om rommel, maar als er een tijdstip gepland is, komt het slechtste in mij boven. Een deadline is iets waar ik meestal ruim vooraan klaar voor ben. Vroeger was de toetsweek mijn mooiste week van het jaar, want het leren had ik allang klaar en die weken ging ik juist relaxed in. Toen ik nog geen kinderen had, was de tijd aan mij en zat ik vaak al rond half acht op kantoor. Dat ik nu eerst iedereen uit bed moeten halen, moet aankleden en achter een broodje moet zetten, vervolgens moet zorgen dat de tassen gevuld zijn en iedereen op de juiste plek komt, is niet mijn hobby. Vooral die continue tijdsdruk zorgt ervoor dat ik iedereen de hele ochtend opjut. En uiteindelijk zijn we dan juist de eersten die het parkeerterrein van school opdraaien. Ik ken dus mijn tekortkomingen, wat al heel wat is, maar voorlopig ben ik nog niet in staat hier wat aan te doen. Start ik niet om mijn gebruikelijke 8.06 uur de auto maar 8.08 uur, breekt mij het zweet al uit. De mens is gewoontedier en de dag die voor me ligt, lijkt dan te gretig om te beginnen. Het werk speelt al door mijn hoofd, ware het niet dat de kinderen nog om me heen zijn. In de auto ontpop ik me bijna tot coureur, ware het niet dat mijn drietal me met liefde van het doorrijden houdt. Autorijden met kinderen is namelijk een klasse apart. In je eentje stap je in, je start en rijdt weg. In mijn geval hopen de dames zich op voor de voordeur zodat je die zelf nét niet lekker open krijgt en met pech een tas op iemands hoofd belandt. Als die brand geblust is, de tranen gedroogd en het geluid weer op normaal niveau, moeten alle autodeuren los, iedereen zich in zijn stoeltje hijsen en de riemen nog allemaal vast. De tassen moeten in de kofferbak of bij de voeten naar gelang de bui van de dames. Als ze maar mee zijn, want zonder tassen betekent een extra ritje om deze alsnog te halen en daar word ik niet vrolijk van. Iedereen vast en op zijn plek, dan mama nog erin en starten maar. Direct begint het roepen. Mijn kinderen mogen op de één of andere manier heel graag luid tegen me aan praten in de auto. De onderwerpen variëren van wat er voor muziek aan staat – de één wil K3, de ander wil weer het nieuws horen en dan het liefst dit ook even bespreken – tot wat er onderweg te zien is. De luide conversaties halen niet het beste in me naar boven en doen mijn rijprestaties niet per se goed. Terwijl oudste dochterlief herinneringen ophaalt – ‘mama, weet je nog…’- gillen de andere dames uit het niets  ‘kinderboerderij!!!!!’ als we deze naderen en gooi ik van schrik bijna het stuur om. Elke ochtend opnieuw weet ik ternauwernood rampen te voorkomen en word ook ik luider en luider in de auto waarbij ik andere weggebruikers niet spaar. Mijn kreten worden weer door de dames herhaald, tot we samen al ‘doorrijden mensen’ roepend toch school bereiken. De rust is ongekend als iedereen dan toch op zijn plek is en ik mijn laatste ritje alleen afmaak. In alle rust zing ik even mee, zonder dat ik hoor ‘mama mag niet zingen!’. Tot ik me bedenk dat ik K3 nog aan heb staan.