Maria’s Mooie Mensen 360

We zaten er net zo lekker in, in die zomer. Toen we thuiskwamen uit Italië dit jaar, waren ons nog drie fantastische dagen gegund. De ergste hitte van de dikke dertig-plus-temperaturen was net verdwenen, maar nog altijd schommelde het kwik tegen die dertig aan, precíes wat wij gewend waren op vakantie. Eén dag benutte ik volop voor de was – maar liefst zes wasjes kreeg ik droog die dag , de tweede ging op aan de waan van de dag die zich ook na de vakantie weer keihard aan je opdringt en de derde deed ik zowaar nog een poging mijn kleurtje een beetje te behouden. Daarna ging het om met het weer; niet direct drastisch maar toch. De benen moesten weer in een broek en sandalen maakten plaats voor schoenen. Opeens droegen we vestjes over onze zomerkleren. Tot het écht omging en we een week lang regen zagen. De herfstblues zette al bijna in tot er nog een cadeautje kwam: nog een keer hoge temperaturen. Waar anderen het al snel té warm vinden, kon ik mijn geluk niet op. De kinderen weer naar school brengen gaat zoveel lekkerder in een luchtig zomerjurkje wat je normaal alleen op het strand in Italië draagt. Het insmeren van de dames elke ochtend is even een karweitje erbij, maar zelfs dat mocht de pret niet drukken. ‘Ik ben een zonaanbidder’ beantwoordde ik iedereen die het wel ‘erg heet’ vond en ‘die-hard’ als ik dan kan zijn, zocht ik ook aan het schoolplein de schaduw niet op. Nou als het zweet dan met straaltjes bij je benen naar beneden loopt, weet je het zeker: het is echt heet (en wellicht mogen mijn billen nog ietsjes dunner). Een goddelijke laatste dag brachten we met onze dames aan een buitenzwembad door. Lekker briesje door de haren, verfrissend water binnen handbereik, de dames met een grote lach op hun gezicht en wij zowaar even op een bedje in de zon. Ons kleurtje: picobello. Ons gemoed: fantastisch. ‘Zijn wij in Italië?’, vroeg Georgia vanachter het ijsje waar we hoognodig aan toe waren. Je zou inderdaad bijna gaan twijfelen alhoewel een dag later Nederland zich weer keihard liet zien. Weg waren de hoge temperaturen, de stapel zomerkleren bleef alweer onaangeroerd. Elke ochtend hoorde ik afkeurende geluiden van mijn meisjes als we de deur uit gingen. ‘Brrr, best fris”, klonk het en vanachter de achterbank besloot Georgia: “mama, het is geen sandalenweer”. Elke ochtend vroeg ze mij of blote armen en blote benen kon hebben en elke ochtend moest ik haar teleurstellen. De regenlaarzen kwamen weer tevoorschijn toen het ook nog eens oneindig nat bleek. En “zijn wij in Italië” maakte plaats voor “wanneer gaan we weer naar Italië?”. Voorlopig niet. Voorlopig is dit wat het is en net als ieder jaar is dat een hard gelag. De pepernoten liggen in de schappen, ik zag al de eerste Kerstversieringen in een winkel. Wat ons betreft gaan we nog even voor zonnebrand en ijs. Maar goed we gaan op naar de lampions, de Goedheiligman en dan de Kerstlichtjes. Na de twee vreselijkste maanden van het jaar brengt maart hopelijk langzaamaan weer wat beter nieuws. Een maand of zes dus; we komen er vast weer door.