Maria’s Mooie Mensen 362

    Als moeder ben je soms op de gekste dingen van je kinderen trots. Je houdt je ineens met hele andere zaken bezig dan je ooit hebt gedaan. Zolang je niet van die koters op de wereld hebt gezet, kan je je moeilijk voorstellen hoe de inhoud van een luier kan intrigeren of hoe een plas op de wc én het afvegen daarna een staande ovatie waard kan zijn. En die was, dat zal toch ook wel een beetje meevallen, was ik altijd van mening. Inmiddels weet ik wel beter. Een ongelukje bij de dames en de machine kan weer draaien, oudste dochterlief gaat even kruipend over het speelveld want ‘ze is een baby’ en ik kan de roze legging waarin ze dit doet minstens twee keer met een hele lading vlekkenmiddel draaien om hem enigszins toonbaar te krijgen. Er is dus een hoop toegevoegd aan mijn leven; een hoop te doen, maar ook een heleboel om van te genieten. En om trots op te zijn. Afgelopen weekend wachtte oudste dochterlief een nieuw hoogtepunt in haar korte schoolcarrière: ze ging op de versierde wagen. Nou had ik daar zelf niet per se een geweldige herinnering aan, maar mijn oudste dochter is wel voor dit soort dingen te porren. Waar ik ooit als Marokkaanse prinses en een jaar later als regendruppel mocht ‘shinen’, was haar ‘moment of fame’ als Bambi. ‘Nee hé mam, Bambi is een jongen. Ik ben zijn vriendin.’ Ze was dus een hert en ik moet zeggen dat zag er fantastisch uit. Compleet met gewei en prachtige zwartomlijste oogjes liep ik haar prompt op de gang in school voorbij. Maar ja, die beauty was echt mijn meisje. En hoera!; er kwam nog een droom uit. Al haar hele schoolcarrière moet ik horen hoe er een moeder is die met het haar van haar dochters echt alles kan maken: hartjes ingevlochten op het hoofd of kunstwerken van tig staartjes. En ja hoor, deze moeder maakte een waanzinnig hertenkapsel – ik wist niet dat het bestond – op mijn dochters hoofd. Het was toen al een dag voor in de boeken. Na een week vol spanning – want ze was zó nerveus – kon ze gelukkig nu alleen maar genieten en dat deed ze. Aan ons de taak vaak genoeg langs de route op te duiken. We zagen hoe ze haar plekje innam op de wagen, we oefenden nog even te zwaaien naar elkaar en daar gingen wij met de kleine dames op de fiets. We zochten een plekje, wachtten tot ze voorbij kwam, we zwaaiden allemaal om het leven en we gingen weer de fiets op. Tot viermaal toe ging dit feest door. Fietsen, plekje zoeken, zwaaien, zwaaien, zwaaien – hé daar zijn je ouders alweer hoorde ik bij de wagen – en weer verkassen. Manlief en ik besloten prompt toch echt geen fanatieke fietsers te worden, maar onze dochter bleef stralen. Ze straalde en zwaaide de hele weg. Geen grote prestatie wellicht, maar ik ben nog nooit zo trots geweest.