Maria’s Mooie Mensen 364

Je hebt van die momenten dat het huilen je nader staat dan het lachen. Meestal als iets tegenzit, is het opstaan en door, maar dat lukt niet altijd. Zelf had ik toen de kinderen nog kleiner waren een goede remedie voor die momenten dat ik niet meer kon lachen om de gebruikelijke chaos om me heen. De kinderen in de woonkamer, deur dicht en met een kopje thee even vijf minuten op de trap zitten. Wat er achter die woonkamerdeur gebeurde kon me even gestolen worden; hoeveel lawaai er ook achter weg kwam: eerst dronk ik mijn thee op. Onze oudste dochter is meestal een heel flinke dame. Ze zal op school niet snel haar waterlanders laten zien en is ook thuis geen ‘pieperd’. Maar ook zij heeft van die momenten dat de tranen erg hoog zitten. Al een poosje zit ze elke dinsdag op zwemles. Pas om kwart over vijf plonst ze het water in en dat is na een lange maandag en een dinsdag met overblijven eigenlijk nét iets te laat. Aan kracht moet ze het vaak ontberen op deze dinsdaglessen en ook de inzet en motivatie zijn niet altijd je-van-het. Al sjokkend komt ze het huis weer binnen vallen tegen half zeven ’s avonds. De tas wordt in de hoek gedumpt, schoenen uitgetrapt en haar jas belandt net naast de kapstok. ‘En?’ vraag ik verwachtingsvol of de volgende sticker al binnen gehaald is. De tranen blijken niet meer te houden. ‘Alweer drie kinderen hebben een sticker maar ík niet’. Het stickersysteem is prachtig, behalve als je niet bij degenen hoort die die week een sticker binnen halen. Al snel druppen de tranen in het in allerijl voor haar neus geschoven bord. Ik steek mijn praatje af hoe iedereen op zijn eigen tempo leert zwemmen en de één de ene keer als eerste een sticker heeft en dan weer eens juist de laatste is om een mijlpaal te behalen. Net als er rust lijkt, is er een volgende ramp: ‘dan eten we ook nog erwten’. En ja hoor, nog meer tranen biggelen over haar wangen. Er is opeens zoveel reden om eens lekker te huilen. Juf blijkt haar nooit als hulpje uit de stapel met namen te trekken – het schooljaar is ook nog maar vijf weken jong -, haar zusjes pakken altijd als eerste de mayonaise en als het eten erop zit, wil de kat niet knuffelen. We gaan van de ene ramp naar de andere, want de vermoeidheid is meedogenloos. Al huilend gaat de pyjama aan, al sniffend gaan we door een boekje en met natte oogjes kruipt ze uiteindelijk in bed. ‘Weet je mama’, snikt ze terwijl ik inmiddels met de moed der wanhoop haar zo goed mogelijk instop en hardop hoop dat ze snel en goed gaat slapen, ‘het huilt ook het lekkerst bij jou.’